1942 – NA VERMENIGVULDIGEN KOMT DELEN

Mocht ik me vrijwel geheel 1941 nog in de eersterangs aandacht van mijn moeder verheugen, vanaf 6 mei 1942 kwam daar abrupt een einde aan met de geboorte van mijn broer J., van stonde af aan het goedlachse elfde kind dat nooit zorgen scheen te kennen, ons échte zondagskind. Hij kreeg mijn babybedje op de ouderslaapkamer, en ik ging naar boven – bij anderen in bed.

Vanaf dat moment – virtueel gesproken dan, want zó taal-voorlijk kan een tweeëneenhalfjarige aantoonbaar niet zijn – was er voor mij ook geen sprake meer van ‘mijn’ moeder, maar louter nog van ‘ons’ moeder, ‘onze J.’, ‘ons bed’. Ja, het Brabants houdt van samenklitten, en je kunt wel van ‘mijn’ naar ‘ons’ maar niet meer terug. Pas sinds mijn moeders dood in 1980 spreek ik weer geregeld van ‘mijn moeder’. ‘Ons moeder’ komt er alleen nog aan te pas als ik met mijn broers of zussen over haar spreek. Maar ook dan wil ik me tegenwoordig nog weleens – onvergeeflijk – vergissen. Het Brabants trekt al lange tijd niet meer zo hard aan me, en geen taal-stelling heeft eeuwigheidswaarde.

Nummer 10 en nummer 11 (zoals mijn broer J. en ik ook wel genoemd werden), trokken jarenlang hecht en onafscheidelijk op. Al vanaf de dag dat we samen in de teil gingen, en elkaars fysiek zodoende op natuurlijke wijze en nogal nader leerden kennen.
– ‘Hoe heet dat, mama?’ (‘Hoehiettè, mama?’, in het Bossche dialect van die tijd), zo meen ik me nog letterlijk te herinneren van toen ik J.’s aanhangsel tussen buik en benen priemend aanwees. Ons moeder en ons A., de dochter die al bij haar ‘in het huishouden’ was, keken elkaar – ja, ik meen het me heus precies zo te herinneren – ’s wat ondeugend glimlachend aan, en toen zei mijn moeder:
– ‘Zeg maar staartje.’ –‘Zeg mar stèrtje.’
Staartje of stèrtje, het blijft een van de frivrolijkste uitspraken die ik mijn moeder ooit heb horen doen.

Teilbeurten vonden uiteraard plaats in de keuken/huiskamer, een vertrek waarin zich naast een grote en een kleine tafel ook een aanrecht met gasstel, kraan en gootsteen bevond. Die kraan was de enige kraan in huis; beneden naast de werkplaats had je nog een ouderwetse zwengelpomp, en op het aanpalende binnenplaatsje (van ik schat 3 x 3 m) stond naast de bok met de gele slijpsteen de poepdoos met beerput. Voor de nachten beschikten wij op de zolder over een ‘emmer’. Die zonder morsen naar beneden krijgen over de steile trap, rampzalig moeilijk was het!

Vrijwel ons hele ‘sociale’ leven speelde zich in de keuken/huiskamer af. We waren er dan ook allemaal bij toen het verduisteringspapier voor de ramen aangebracht moest worden: ik herinner het me als een bruinkleverig vliegenvangerspapier waar absoluut geen gaatje in mocht komen, en wij waren braaf, vanzelf.
Verderop in de oorlog kwamen er carbid-lampen in huis, waarvan ik me de grijs-metallurgische geur te binnen kan brengen als eens Marcel Proust de verse madeleine bij de bloesemthee. – Oja, en de keren dat er iemand doodziek was, werd er vanzelfsprekend een bed in de keuken/huiskamer bijgeplaatst.
Ach, er is geen einde aan de verwondering over het wonen in de jaren veertig, óns wonen in de jaren veertig, 14 ‘balthasartjes’ in een keuken/huiskamer.

[ Hoogste tijd nu om even in de Buiten-Agenda te kijken, want in datzelfde 1942 draaide de wereld maar door alsof de Balthasartjes er helemaal niet toe deden (QED!):
– Oorlogsnieuws: kunstenaars en kunstenmakers moesten verplicht bij de Kultur-kamer, Japan viel ‘Ons Indië’ binnen, op de Wannsee-conferentie in Berlijn werd tot de ‘Endlösing der Judenfrage’ besloten (6 miljoen x 1 moord!) – en na de V1 werd ook de gierende V2 gelanceerd. Heel de Korenbrugstraat e.verre.o. bad de angst van zich af met het: OnzeLieveVrouwke, gift um nog ’n douwke!
– Gelukkig zijn er ook zonnige gebeurtenissen: in juni wordt Erik Engerd alias Joost Prinsen geboren, die later nog bij broer J. in de klas zal verzeilen.
– En de klap op de vuurpijl is 17 oktober 1942: in Schijndel ziet meisje M., later meergenaamd mevrouw B., het levenslicht als tweede van 7 schilderskinderen, met aangeboren behangerskwaliteiten. Via een van haar ziekenhuispatiënten vonden wij de toverspreuk van ons leven:  Saja tjinta pada moe! – De sleutel ligt in het Maleise woord tjinta… En saja betekent ik. Verder kan ik niet gaan. ]

cover lijkkisten en betimmeringen
Titelblad van “Lijkkisten en betimmeringen”

“Ongeveer 4 x 3 x 2”
Tijdens een griepje halverwege de jaren zeventig, voelde ik ineens de onbedaarlijke behoefte om mijn jeugd en mijn thuis in een serie kale  gedichten samen te vatten. Het werd een bundeltje van 16 stuks (2 ouders, 13 kinderen, 1 inwonende opa) onder de titel LIJKKISTEN & BETIMMERINGEN, hommage aan het emaillen schild dat mijn vader op de buitengevel van zijn werkplaats aan had laten brengen. Latere inspectie van ‘gevelfoto’s’ (jaren vijftig) wezen uit dat het BETIMMERINGEN & LIJKKISTEN had moeten zijn, terwijl ik toch zeker meende… Frappant bewijs hoe soepel je geheugen met de feiten omgaat.

Enfin, uit dat bundeltje hieronder het gedicht ‘Huisje Weltevree’. En ik zeg nou wel ‘gedicht’, maar de ondertitel van het bundeltje luidt: Notities aan de binnenkant. ‘Huisje Weltevree’ is dus niet zozeer een gedicht als wel een notitie, de realistisch-kale invulling van een warme titel.

HUISJE WELTEVREE

1 slaapruimte was ongeveer 4 x 3 x 2
3 bedden
5 kinderen

5 volwassenen
4 volwassenen
3 volwassenen
2 volwassenen
ik
en toen was de slaapruimte te klein

er waren 3 slaapruimtes

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *