1950 – Hoe ik aan het kuiltje in mijn linker scheenbeen kwam

Vanaf nu beginnen dus die ‘oersaaie’ jaren vijftig. – Nou, dat zullen we dan nog wel ‘s zien. Te beginnen met 1950, een ‘heilig jaar’ volgens Paus Pius XII in Rome. In elk geval was het toeristisch daar een topjaar, want er kwamen meer dan drie miljoen pelgrims naar de heilige stad (waar toen nog geen zweem van ironie omheen hing). Onder hen mijn oudste broer J., kunstenaar in aantocht, en zijn vriend N., die samen een poging deden om te voet Rome te bereiken.

'Die twee die naar Rome gingen'
‘Die twee die naar Rome gingen’

Een voetreis naar Rome – Voorzien van een gitaar (om spelenderwijs hun kostje mee te verdienen), en met in de portemonnee een financiële bijdrage van pastoor De Kroon, liftten en liepen de twee richting Rome, te beginnen bij de Vughterbrug in Den Bosch. Met dit project waren onze avonturiers ongeveer twee maanden zoet, bleek achteraf. Want enig bericht hebben wij van hen gedurende die tijd nooit ontvangen.

Enfin, ruim twee maanden later dus kwamen ‘die twee die naar Rome gingen’ op een vrachtwagen vanuit Lyon volkomen vermagerd en berooid terug. Drie dagen (schat m’n herinnering) heeft J. alleen maar geslapen en gegeten, vooral uienstamp en eindeloze stapels boterhammen. En toen was ie weer vertrokken, onze J.

Over de reis en het verblijf in Rome (?) heb ik nooit iets naders vernomen – wat zul je een tienjarige daar ook mee belasten? En sinds J.’s dood is het te laat om er nog eens over te beginnen, o, wat zou ik hem nog graag eens het hemd van het lijf vragen. Maar allez, een fotootje van die twee bij de zonnewijzer op het Willemsplein is het enige ‘bewijs’ van hun ‘Voetreis naar Rome’. – Gelukkig was ik toen nog heel gelovig, goedgelovig. En mijn broer was de held.

Boeren Blues – Terwijl J. er alles aan deed om in de voetsporen van Bertus Aafjes te treden, en de7-jarige prinses Margriet op de IJdijk onder Spaarndam het beeldje van Hansje Brinker onthulde, ja, en terwijl Max van Praag triomfen vierde met de meezinger Daar zijn de appeltjes van Oranje weer, maakte ik, Balthasar,  in de zomervakantie van 1950 mijn eigen wereldreis, naar Ammerzoden aan de Maas, wel tien kilometer van huis.

Ik mocht op vakantie naar de boerderij van Louis en Gerrit Fraaije,  onze groenteboeren die elke week twee keer met hun spullen aan de deur kwamen, en bij het grote gezin nogal wat afzet wisten te genereren. Bovendien moest ik er kennelijk ‘eens uit’, om aan te sterken of zoiets. (Heilgymnastiek kreeg ik inmiddels ook al, omdat ik dreigde met een ‘hoge rug’ te gaan lopen.)

En laat ik het meteen maar zeggen: het waren twee fantastische weken. Elke dag een half bord uitgebakken spek bij de warme maaltijd, zalige dikke witte boterhammen met bruine basterdsuiker, en met vieze vette melk in grote bekers, dat ook. Met twee andere logés zwierf ik urenlang door het zonnige boerenland, wij duwden grote kruiwagens met waterbussen naar het land om de aardbeienplantjes te begieten, en na het avondeten deden we met z’n allen spelletjes op het erf. De leiding was in handen van een zwaar gebochelde en altijd goedgemutste huisvriend, die bovendien tot taak had om uit oude kranten wc-papiertjes van het juiste formaat te scheuren – een moordgozer.

Met mijn medelogé Muis zong ik alle liedjes die we samen kenden, smartlappen vooral. Zeker is, dat elke keer Als de klok van Arnemuiden op ons programma stond (alweer zo’n radiodistributiehit van Max van Praag!), in mijn herinnering door ons tweestemmig en zo gevoelvol gezongen, dat wij er in heel Ammerzoden om geprezen werden.

Muis was die weken mijn allerbeste vriend, en ik vind het onbegrijpelijk dat we er nooit een vervolg aan hebben kunnen geven. Zelfs of Muis zijn echte naam was, ik zou het niet weten. – Zo gingen die dingen toen. Gingen die dingen toen zo? Mijn memorie is er twijfelachtig over.

Tekens van de vooruitgang – Met mijn overbuurjongen, jaar- en klasgenoot Jac de Laat, was ik ook steeds de beste maatjes. We speelden vaak bij hem thuis, richtten samen de straatvoetbalclub EVV (Elf Vlugge Ventjes) op, mochten in de kleine werkplaats ‘oom Bernhard’ meehelpen om soldeerstaven te gieten, deelden samen de koekkruimels die zijn vader meebracht van karwei bij de Verkadefabriek (toen ze daar nog koekjes bakten), en lazen in dezelfde week ook elkaars bibliotheekboeken (Arendsoog, Bob Evers, Engelandvaarders).

Meer dan bij ons waren ze bij Jac in voor nieuwe dingen. Zijn vader laste zelf fietsjes en sledes uit n’import welke onderdelen bij elkaar, de man had de eerste bromfiets in de straat, en zijn kinderen kregen soms wonderlijke moderniteiten cadeau.

In 1950 was Jac de allereerste die een wonderpen mee naar school nam: een Ballograf Ballpoint. Hij demonstreerde hem bij ons voor de deur, op een morgen voor we naar school gingen. Zoiets had ik nog nooit gezien: een pen zonder inkt! Stikjaloers waren we allemaal, hoewel Jac grootmoedig genoeg was om ons er een woord mee te laten schrijven.

Lego in 1950
Nieuw, nieuw, nieuw! Lego in 1950!

Nóg wonderlijker was dit jaar het nieuwe speelgoed van de De Laatjes: de allereerste versie van wat later Lego-steentjes werden genoemd. Kunstststof blokjes van verschillende kleuren die op ingenieuze wijze aan elkaar bevestigd konden worden. Mijn meccanodoos was op slag ouderwets.
Lego was niet alleen nieuw, het was ook een luxe, met bijbehorende kosten. Het is er bij ons nooit van gekomen: Lego bleef voor de rijkaards, en het was super als je mee mocht spelen.

Voetbalheldendom – Oja, dat kuiltje in mijn linker scheenbeen, bijna vergeten. Voor een van de onderlinge ‘metsen’ (afgekeken van: matches, tenslotte had BVV een echte Engelse trainer, de alom bewonderde Jackson) fietsten wij met ons EVV-clubje naar het ‘knollenveldje’ aan de Kampdijklaan in Vught. Dat wil zeggen, ik zat achterop bij mijn grote broer C., want een eigen fiets had ik niet. Het pad liep over de dijk van de Vughterheide, waarop kort tevoren grove stenen paaltjes geplaatst waren. Enfin, op enig moment fietste C. te dicht langs zo’n paaltje, ik wist van niks en ik zag van niks, maar het paaltje ramde mijn linkerbeen, pal onder de knie, bovenaan het scheenbeen.

Ik bloedde als een rund, maar gevoetbald moest er worden. C. knoopte zijn zakdoek om mijn been,  en zei dat ik mee kon doen zodra de zakdoek spontaan omlaag gezakt was. Zodoende heb ik de tweede helft ‘gewoon’ meegespeeld. En later bleek ik dus een mooi kuiltje in mijn linker scheenbeen te hebben. Het zit er nog steeds, een aandenken aan mijn voetbalverleden.

Elf gedichten voor Piet Keizer, van o.a. Remco Campert, Jan Wolkers, e.a.
Elf gedichten voor Piet Keizer, van o.a. Remco Campert, Jan Wolkers, e.a.

Vijftiger – Een van de Vijftigers van het eerste uur is de dichter Remco Campert (1929), alom gekend, alom gewaardeerd. Hij schrijft ‘gemakkelijke’ poëzie, en schuwt de eenvoudigste onderwerpen niet. Zoals onderstaand voetbalgedicht: niks moeilijks aan, maar met een laatste ‘draai’ die het simpele vers naar het walhalla tilt.
Piet Keizer staat in ‘Elf gedichten voor Piet Keizer’ (Thomas Rap, 1971).

PIET KEIZER

Sombere tijd zwarte dagen
een glimp van licht zo nu en dan
als op het voetbalveld
jij met een lome genialiteit
je van een verdediger bevrijdt

Ach die na ons komen
nooit zullen ze weten
waarvan we droomden.

Een gedachte over “1950 – Hoe ik aan het kuiltje in mijn linker scheenbeen kwam”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *