1951 – Sprekend zilver

De binnenwereld van 1951 laat een jaar van grote feesten zien: de zilveren bruiloft van de ouders Balthasar, het zilveren jubileum van pastoor De Kroon. Beide feesten werden langdurig en breed voorbereid, met een inzet, een vasthoudendheid en een vanzelfsprekendheid waar ik in verwondering en ook wel ’n beetje in ongeloof op terugkijk.


Een fenomeen trouwens dat zich bijna elke keer manifesteert als ik me in m’n (verre?) verleden verdiep. En dat is dus bijna constant sinds ik in januari met dit feuilleton begon. Heb ik ’n jaar eenmaal uitgeschreven, dan is het niet meer het jaar dat het was voor ik eraan begon. Het jaar lijkt gecanoniseerd, en min of meer onveranderbaar geworden. Dat roept bij mij de vraag op of je als autobiograaf automatisch manipulator bent: 1951, het feest- en geluksjaar? Ik zocht een antwoord bij Rutger Kopland, in zijn gedicht
Wat is geluk. (Uit de verzamelbundel: Geluk is gevaarlijk, 1999).

WAT IS GELUK

Rutger Kopland - Geluk is gevaarlijk
Rutger Kopland – Geluk is gevaarlijk

Omdat het geluk een herinnering is
bestaat het geluk omdat tevens
het omgekeerde het geval is,

ik bedoel dit: omdat het geluk ons
herinnert aan het geluk achtervolgt het
ons en daarom ontvluchten wij het

en omgekeerd, ik bedoel dit: dat wij
het geluk zoeken omdat het zich
verbergt in onze herinnering en

omgekeerd, ik bedoel dit: het geluk
moet ergens en ooit zijn omdat wij dit
ons herinneren en dit ons herinnert.

Zilveren bruiloft met een dun zwart randje
Dagen van tevoren kwamen ze over uit Amsterdam, oom Jan de fotograaf en tante Annie met hun deftige praatjes. Ze richtten de voorkamer in als studio, hingen witte lakens tegen de muur, en stelden hun lampen strategisch op. Een voor een werden wij met z’n vijftienen geportretteerd en met ons goeie goed in het zonnetje gezet.
Het echte werk kwam pas toen al deze deelopnames tot een klassiek familieportret gecomponeerd moesten worden, compleet met retouches en fade aways. De halve familie heeft het eindresultaat nog steeds ergens aan de muur hangen, met de vinger vooral op ons vierjarige zusje N. gericht, die kort voor de fotosessie de schaar eens lustig in haar haar gezet had.

Intussen werden werkplaats en winkel volledig uitgeruimd, de muren bekleed met voorhangen uit de kerk, respectievelijk voorzien van kleurige krijttekeningen van onze eigen kunstenaar J. Lange tafels kregen een kleedje van het fraaiste lijkkistenpapier, kisten vol bier en limonade werden in de bijkeuken opgetast, bakkersdozen met schaamteloos heerlijk slagroomgebak op de koelste plaatsen gezet. En er werd een podium voor muziek en voordracht ingericht, vooral het drumstel met de ‘veeg-borstels’ vond ik fascinerend. De sfeer was geweldig, van oom Matthieu tot tante Fien, van Tonia tot Til, iedereen was familie van de breedbekkikker.

Snip en Snap - gemist wegens leeftijdsdiscriminatie
Snip en Snap – gemist wegens leeftijdsdiscriminatie

Een kleine week lang was het feest, met familie en vrienden van overal vandaan, en met mijn eerste halve glaasje bier. Het familieorkest ‘De Tielekes o.l.v. Jöp’ speelde als aansporing ‘Zoude gij nie un borreltje lusten? Hoeladiee, ikke wel twee!’, ’s avonds traden Snip en Snap met hun koffiekannen op en zong mijn moeder het lied van de bedelares (‘Haar naakte borst ternauw bedekt met lompen…’). Tenminste, dat laatste is mij verteld, want van de avondfeesten heb ik helaas geen eigen weet. Vanaf mij (Balthasar, 11  jaar) moesten alle ‘kleintjes’ om 8 uur naar bed. ‘En boven blijven,’ ondanks mijn protest en het luide feestgedruis uit de catacomben.

Op dit strenge avondlijke feestzaalverbod heb ik mijn ouders nog heel lang boos aangekeken: elf en een half jaar, en dan om 8 uur naar bed, op de zilveren bruiloft! Terwijl ik toch ook gedurende twee jaar wekelijks een aanmerkelijk deel van mijn zakgeld (1 van de 2 kwartjes) in de cadeaupot gestort had, en ik (meen ik) mee mocht stemmen op de keuze van de gezamenlijke cadeaus, t.w.: een loper voor de benedentrap, een gouden broche voor ons moeder, een horloge voor ons vader. (Alle betalingen werden serieus geadministreerd en moeten nog ergens in de familiearchieven terug te vinden zijn.) – Maar overigens was het familiefeest een bergtop hoor, die we nadien nooit meer bereikt hebben.

25 jaar geliefd als pastoor
Op zíjn manier was pastoor De Kroon de held van de Sint Pieter-parochie, het hart op de goeie plaats, wars van eigenbelang, arm met de armen. En die waren er nogal wat in onze parochie, armen. Velen daarvan woonden in de volkswijk De Pijp, een benauwde achterbuurt waar je als buitenstaander beter maar niets kon gaan zoeken.

Toneelversie pastoor De Kroon
Toneelversie pastoor De Kroon

Toen De Kroon 25 jaar als pastoor aan de Sint Pieter verbonden was, zou dat in zijn hele parochie, maar toch vooral in De Pijp, uitbundig gevierd worden. De plaatselijke grootheden rector H. Beex (tekst) en Jo van Erp (regie) kregen de opdracht om het priesterjubileum in een groots toneelspektakel tot uitdrukking te brengen. Van, voor en door de mensen uit de parochie zelf. De voorbereidingen namen meer dan een half jaar in beslag.

Op school werd ik ‘wegens heldere stem en gebleken voorleesvaardigheden’ uitverkoren om auditie te doen bij meneer Van Erp. Ik zou de rol van Harry spelen, voorzien van een muffe klarinet (die mijn moeder nog met Boldoot probeerde op te luchten), en met kleren die recht van de voddenhoop leken te komen.
Maanden moesten wij in de patronaatszaal oefenen op het gezellig buitenspelen, met gejoel, muziek en verder alles wat je je bij het begrip ‘jool’ maar kunt voorstellen. Erg levensecht vond ik het niet, maar ja, ik woonde dan ook niet in de Pijp.

Want: het hele spel draaide om het leven in De Pijp, arm en rijk, vreugde en smart op de vierkante meter, het lot van groep en individu, de rol van de kerk. Over het aandeel van de kinderen in het stuk is nergens iets terug te vinden, en van het hele verhaal weet ik zelf ook eigenlijk helemaal niets meer. Het was dan wel mijn toneeldebuut, gevolgen heeft het nooit gehad.

Het stuk Engeltjes uit De Pijp – Een vrolijk spel in drie bedrijven en een voorspelletje werd in het Casino opgevoerd voor pastoor en eigen parochie. Het was een hele belevenis voor de deelnemers, en een hele zit voor de toeschouwers. Groot succes hadden we kennelijk niet, want het is bij die ene voorstelling gebleven.

Ambonezen arriveren in Rotterdam 1951
Ambonezen arriveren in Rotterdam 1951

De buitenwereld van 1951 zoomt in op Rotterdam, waar de eerste Ambonezen kleumend in de haven arriveren. Het is precies de periode waarin De Spelbrekers (u kent ze misschien nog van de Kleine kokette Katinka) een hit scoren met het liedje Ziede gij me gère? – ‘t Zal toch geen toeval zijn?

Kort daarna zag ik ze in het centrum van Den Bosch rondlopen, deze inwijkelingen, de nieuwe bewoners van de barakken in Kamp Vught, oud-KNIL-militairen met hun families. ‘n Beetje enge bruine mensen waren het, waar ik niet aan gewend was, spannend ook wel.

‘Ze’ zeiden dat ze wel weer gauw naar hun eigen land terug zouden gaan, zeiden de mensen die het weten konden. We zullen wel zien, zeiden anderen die het ook niet weten konden. En ik? Ik wist nog helemaal niet hoe je daar een mening over kon hebben…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *