1953 – Ridders in de Orde van de Balthasar

Watersnoodramp 1953
Watersnoodramp 1953

Zeg 1953, en elk weldenkend mens zal met het bekende rijtje aan komen zetten: zondag 1 februari, springtij, watersnoodramp, 1836 doden, beurzen open en dijken dicht, caissons, deltawerken. Een en al Nationale Gebeurtenis kortom, iets anders leek er in dat jaar niet te bestaan (de dood van Stalin bijvoorbeeld, Edmund Hillary die de top van de Mount Everest bereikt, de film ‘Roman Holiday’ die alle Audry Hepburn-fans – de halve wereld dus – deed zwijmelen).
Deze constatering ontslaat mij met uw welnemen van een geforceerde link naar de actualiteit van 1953.

De enige bijzonderheden die ik aan het vaste 1953-rijtje toe kan voegen betreffen de vrije maandagmiddag van school wegens algehele ontreddering en verlies van concentratie, het besluit tot afgelasting van het Bossche Carnaval, het halsoverkoppe vertrek van mijn broer A. naar de noodgebieden in West-Brabant. – Het rampjaar werd of wordt er niet wezenlijk anders van.

Zodat ik nu onverwijld en onbezwaard over kan gaan tot het uitdelen van de eerste lintjes in de Orde van de Balthasar: voor Voerman Jacques sr. en Zijn Vrouw Anna. Niet dat ik hen bij hun voornamen aansprak of tutoyeerde, verre van, maar de tekst van een Orde-Bericht moet nu eenmaal formeel en volledig zijn.

Sars - Verhuizingen, Transport, Opslag
SARS – Verhuizingen, Transport, Opslag

Zijn familienaam was Sars, J., hij was een van de Gebroeders, gezamenlijk waren zij van de Verhuizingen en de Internationale transporten, tevens Opslag van inboedels – en alles altijd in de  kleuren groen en oranje.
Haar naam was Schoenmakers, A., van het bekende ondernemersgeslacht uit Tilburg, naast moeder ook volbloed sociaal werkster,  beschermvrouwe.

Bij mij en mijn broer J. waren zij uitsluitend bekend als Meneer en Mevrouw Sars (ja, die hoofdletters, dat moet maar een keer), vader en moeder van Jacques jr. en Joep, woonachtig boven het bedrijfsterrein aan het Geertruikerkhof – nu alleen nog maar lucht.
Jacques jr. zat op de lagere school bij mij in de klas, Joep bij mijn broer. Wij werden een vriendenclubje omdat er op het terrein van Sars zo heerlijk gespeeld kon worden.

Misschien wel het paard van Sars
Misschien wel Het Paard van Sars

Als ik zeg ‘Sars’, dan reageert de oudere helft van de Bossche bevolking met: ‘Bedoel je die van Het Paard van Sars?’ – Dat karrepaard van Voerman Sars verwierf in een ver verleden grote plaatselijke bekendheid vanwege de enorme bergen paardemoppen die het overal in de stad achterliet.  Vader Sars hanteerde zelf de naam ‘voerman’ als een geuzennaam, ook omdat ie wilde blijven weten waar ie vandaan kwam, en dat er nooit reden is om naast je schoenen te gaan lopen.

Op het bedrijfsterrein van de Gebrs. Sars bevond zich in 1953 overigens nog steeds een enorme (paarden)-mesthoop, waar je vanaf de aanpalende hooizolder fantastisch in kon springen. Mocht van mevrouw Sars alleen als je je overall aan had. – Maar ja, ik had natuurlijk geen overall, en toch wilde ik meedoen aan dat springen, waarbij vallen natuurlijk geen optie was.

Bij slecht weer en in de winter mochten wij ook binnen komen spelen. We kregen er altijd drinken en eten, sterker, vader en moeder Sars waren van het begin af aan belangstellend naar ons huiselijke wel en wee. Oprecht belangstellend bedoel ik, zoals ik dat nog nooit ergens ervaren had. Op den duur kwamen de uitnodigingen om te komen ‘spelen’ niet meer van onze vriendjes, maar van hun ouders. En zo werd de zondag onze vaste Sars-dag, en Jacques jr.en Joep onze zondagsvriendjes.

Voor mijn broer en mij was die Sars-dag een ‘logische’ dag. Thuis zat het huis op zondag immers vol met groepen kaarters, mijn vader, mijn broers en zussen en hun respectieve verkeringen. Het huis een dampende rookwolk opgewondenheid, waar de jongsten totaal geen rol in speelden. Het legertje kaarters kon ons missen als kiespijn, en dat was wederzijds. Bij Sars waren wij zeer welkom, op de zondagen hoorden wij er, vaak samen met nog meer vriendjes, zo’n beetje tot het gezin. Tot en met het avondeten aan toe. – Zondag, een dag om naar uit te kijken.

Naar De Efteling in 1953
Naar De Efteling in 1952

Steeds vaker bedachten de ouders Sars in de zomer uitjes waar wij als vanzelfsprekend aan deelnamen. Omdat mijn broer en ik geen fiets hadden, mochten wij bij hen achterop zitten. Picknickspullen zaten in de enorme fietstassen, buitenshuis iets eten en drinken, ik heb het van de Sarsen meegekregen.
Soms gingen we zelfs met een busje op stap, zoals die keer in 1952 dat we naar de pas geopende Efteling gingen. – Een hele goeie ‘voerman’ was vader Sars trouwens niet, maar daar had ik pas veel later weet van.

Bij feesten en andere gelegenheden waren wij ‘automatische gasten’. We maakten er zodoende kennis met de hele Tableau de la troupe Sarsiënne. Oom Leeuwe (moppentapper) en tante Sis uit Tilburg, tante Mathilde en oom Bart uit Eindhoven (van Philips), de deftige dames uit Amstelveen, maar bovenal met de ‘eigen’ paters. Drie  maar liefst: 2 Sarsen en 1 Schoenmaker. Heerom Bartje de Capucijn (en van de kinderlijke mopjes: ‘Aspergesoep, okee, maar wat doen ze dan in koninginnensoep?’), heeroom Jan de Witte Pater uit Afrika,  heeroom Melchior de Franciscaan, de ‘gewoonste’ van het stel. – Opdringerig katholiek? Logisch.

Het hoogtepunt vormde de zondagavond, elke zondagavond. Dan gingen we rikken, met witte bonen als fiches (ik kan de zak met inhoud nog ruiken). Aan het einde van de avond werd de verlies- en winstrekening opgemaakt: meneer S. betaalde onze bonen in klinkende munt uit. Elke zondagavond gingen wij met extra zakgeld, ‘zondagscenten’ heette dat toen nog, naar huis.

Sprong_in_heelal - Het Marsmysterie
Hoorspel ‘Sprong in heelal – Het Marsmysterie’

Het kaarten op zondagavond kon alleen door heel bijzondere gebeurtenissen onderbroken worden. Zoals door het radiohoorspel ‘Sprong in het heelal’. Dat was zo spannend dat je het kaarten er echt even niet bij kon hebben. Van de hele serie hebben we geen seconde gemist.

Meneer en mevrouw Sars waren de eerste ontwikkelde mensen waar ik op voet van enige vertrouwelijkheid mee verkeerde. Ik leerde van hen iets over boeken en poëzie (Gezelle!), iets over de omgang met andere mensen, iets over respect en aandacht voor anderen, gewoon, dat je iemand was, en dat een ander iemand was. Daar komt bij dat zij maar twee kinderen hadden, en redelijk goed in de slappe was zaten. Zij betaalden bijvoorbeeld mijn Lourdes-reis toen ik aan een militaire bedevaart deel kon nemen, en voor mijn 21e verjaardag kreeg ik een halve bandrecorder, de andere helft moest ik na een jaar sparen terugbetalen.

Ik ben nog tot diep in m’n twintiger jaren geregeld bij de Sarsen over de vloer gekomen. Niet meer om mee te eten of om witte bonen te verzilveren, maar gewoon voor de gezelligheid, uit respect en om mijn hoed voor hen te kunnen afnemen. – Het duurde tot en met hun beider begrafenis aan toe.
Het contact met de vriendjes Sars is vrij snel na de middelbare school verwaterd en in het ongerede geraakt. Dat ging van beide kanten ‘als van nature’, en heeft nooit een rimpeling van rancune of ongemak veroorzaakt.

Wislawa Szymborska -  Pools dichteres en Nobelprijswinnaar
Wislawa Szymborska – Pools dichteres en Nobelprijswinnaar

Het waren prachtige mensen, die van Sars; het waren prachtige jaren, die bij Sars. Ik kijk er met groot respect en in dankbaarheid op terug. – Tot slot wil ik hen hier eren met ‘Elegische berekening’, een van die intrigerende gedichten van de Poolse dichteres Wislawa Szymborska (1923-2012). Het komt uit de bundel ‘Uitzicht met zandkorrel’ (1997), Uitgeverij Meulenhoff Amsterdam. De vertaling is van Gerard Rasch.
Moeilijk? –
Ach, meneer en mevrouw Sars zullen er
in hun hemelse toestand (als er een hemel is)
best raad (wel goed, niet duur) mee weten  –

 ELEGISCHE BEREKENING

Hoeveel van degenen die ik heb gekend
(als ik ze werkelijk heb gekend)
mannen, vrouwen
(als die verdeling van kracht blijft)
hebben die drempel overschreden
(als het een drempel is)
zijn die brug overgerend
(als je het een brug moet noemen) –

Hoeveel zijn na een kort of lang leven
(als zij nog steeds het verschil zien),
goed omdat het begonnen was,
slecht omdat het afgelopen was,
(tenzij ze het liever andersom willen zeggen)
op de andere oever aangekomen
(als ze ergens zijn aangekomen
en die andere oever bestaat) –

Mij is geen zekerheid gegeven
omtrent hun verdere lot
(zelfs al is het één gemeenschappelijk lot
en heet het nog lot) –

Alles
(als ik me met dit woord niet beperk)
hebben ze achter zich
(zo niet voor zich) –

Hoeveel van hen zijn uit de voortijlende tijd gesprongen
en verdwijnen steeds klaaglijker in de verte
(als je het perspectief mag geloven) –

Hoeveel
(als die vraag zin heeft,
als de tellende tot het totaal kan komen
voor hij zichzelf erbij moet tellen)
zijn in de diepste slaap gevallen
(als er geen diepere is) –

Tot ziens.
Tot morgen.
Tot de volgende keer.
Zij willen dit niet meer
(als ze niet willen) herhalen.
Zijn aangewezen op een oneindig
(zo geen ander) zwijgen.
Zijn uitsluitend bezig met datgeen
(indien alleen daarmee)
waartoe de afwezigheid hen dwingt.

5 gedachten over “1953 – Ridders in de Orde van de Balthasar”

  1. Mag ik de onvoltooide tweede reactie afmaken? “Dat gedicht, formidabel! Tien keer herlezen!” Overigens grote waardering, Balthasar, voor je liefdevolle verhaal over de familie Sars. Ik wil ook nog een heel klein detail toevoegen over “het paard van Sars”. Heel Den Bosch kende de uitbundige drollenproductie van het dier, zoals je vertelt, maar ook akoestisch genoot het grote bekendheid. Als ik thuis weer eens al te luidruchtig mijn neus ophaalde zei mijn vader: “Hou op, je lijkt het paard van Sars wel!

  2. ‘tJa, dat rampjaar “53. Ik was 14, woonde in Zeeuws-Vlaanderen en werd in de vroege ochtend van die 1ste februari gewekt door klokgebeier op een ongewoon tijdstip. Bij stukjes en beetjes werd duidelijk wat er was gebeurd. De zeedijk bij Terneuzen was doorgebroken, een polder was onder gelopen en nu was het zaak de binnendijken te versterken om de te voorkomen dat het water heel Zeeuws Vlaanderen in stroomde. Zandzakken vullen dus, tot je er blaren van op je handen kreeg. De binnendijken hielden het, bij ons in de buurt althans. In de ondergelopen polder viel een dode te betreuren, een baby met wieg en al verdronken. Verder veel dode koeien en varkens. Materiële schade werd later vergoed door het Rampenfonds. Boze (en jaloerse) tongen beweerden dat sommige mensen er in materieel opzicht beter van geworden waren. Een wrang mopje: Vrouw V. bidt voortaan elke dag; “Geef ons heden ons dagelijks brood en om de vijf jaar een watersnood”. Zulke grappen kun je in bepaalde gebieden van Zeeland maar beter niet maken.

    1. Zo zie je maar weer, Jan, hoe ongelijk het in de wereld verdeeld is allemaal, óók in de kleine wereld die Nederland heet: wíj een middag vrij om te bekomen van júllie ramp. Nog ’n geluk dat ik één broer kon afvaardigen om ook blaren op z’n handen te scheppen en dode koeien te bergen. Een wel heel alternatieve ‘Sprong in het heelal’ voor hem.
      B.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *