1955 – Voorbodes van een nieuwe tijd?

Voor het nieuwe schooljaar kreeg ik – ‘door een vergissing van de bank in uw voordeel’ of zoiets – een pak, antracietgrijs en met hip-smalle broekspijpen. Na veel zeuren mocht ik er een rood overhemd bij kopen, met een zwarte veter bij wijze van stropdas. Ik voelde me helemaal bij de tijd, het heertje, klaar om aan 4 Gym te beginnen.
Na de eerste gymnastiekles bleken mijn kleren verdwenen te zijn, en ging ik tenslotte maar in mijn gymspullen naar de volgende lessen. Het duurde niet lang of de aap uit de mouw bleken twee klasgenoten te zijn (hun namen zijn nog steeds bij de redactie bekend!) die mijn kleding niet passend vonden voor een gymnasiast.

Nozems, Amsterdam 1955
Nozems, Amsterdam 1955

Er zit iets in de lucht – Niet dat wij in het Bossche 1955 al zover waren, toch zijn er achteraf al contouren te herkennen van wat later het ontstaan van een jeugdcultuur zou worden genoemd, voorbodes van een nieuwe tijd. In dit jaar ook muntten Jan Vrijman en Ed van der Elsken het begrip ‘nozems’, en publiceerden zij in Vrij Nederland artikelen over opstandige jongeren die voor het eerst luidruchtig en agressief hun plaats in de maatschappelijke realiteit opeisten.
Wij hadden daar nog wat tijd voor nodig, al voelden wij beslist wel aan dat er ‘verandering in de lucht’ zat: relletjes in Amsterdam, de Sovjet-Russische dreiging van Hongarije, aanwaaiende rock & roll-muziek, Little Richard, de eerste optredens van Elvis Presley – naast, toegegeven, traditionelere successen als Sissi 1 en de doorbraak van Johnny Jordaan.

Het gezag – Op het Sint Jans Lyceum stonden wij nog altijd onder de tucht van een ouderwets autoritaire rector. Het was geen pretje om de klas uit en naar hem doorgestuurd te worden: ‘Weet je wel tegen wie je spreekt, jongen?’ en: ‘Blijf daar eerst maar eens ’n tijdje staan, leerling.’
Het was al een daad van verzet dat wij hem onder elkaar ‘De Worst’ noemden, en dat was meer dan een beeldende bijnaam vanwege een amechtig postuur alleen. Een oordelend scheldwoord was het, van oneetbare kwaliteit. Zelden heb ik iemand meegemaakt die zo niet-geliefd was.

De nieuwe – 4 Gym was ook het jaar van de scheikunde, voor de latere alfa’s (zoals ik) zelfs het enige jaar scheikunde. Daar kwam nog bij dat het scheikundelokaal op het terrein van het Maria Lyceum lag, wat het vak een vermeend frivole dimensie extra verleende omdat je daarvoor eerst de ‘brug der zuchten’ over moest steken. Wij zouden bovendien les gaan krijgen van docent Altenburg die dat ook voor het eerst ging doen, lesgeven. Alle reden dus om naar ‘scheikunde’ uit te kijken.
Altenburg was een bloedserieuze man van een jaar of vijfendertig, die zich heilig voorgenomen had om niet in de valkuilen van de nieuweling te trappen. Bij aanvang van les 1 wilde hij graag weten welke mensen hij in de klas had. Daartoe ging hij alle namen alfabetisch oplezen, en wilde hij graag zien wie er bij elke naam hoorde.
Om potentieel rumoer voor te zijn deed hij de alomvattende mededeling dat er geen naam, maar dan ook geen enkele naam, om te lachen is. – Enfin, u begrijpt het vervolg. Letterlijk elke naam werd met boegeroep, applaus of gejuich begroet, gejuich en gelach dat op de grens van uitlachen balanceerde.
Met Altenburg is het het hele jaar niet meer goed gekomen. Na ons heeft hij het nog één jaar geprobeerd, toen is hij wat anders gaan doen.

Prisma Engels-Nederlands, Van Baars
Prisma Engels-Nederlands, Van Baars

De oude rot – Wie wat bewaart, die heeft wat. Bij voorbeeld een 1e druk van het ‘Prisma-woordenboek voor school, kantoor en huis – Engels-Nederlands’ door drs. F.J.J. van Baars en drs. J.G.J.A. van der Schoot.
Van Baars was vanaf klas 1 mijn leraar Engels, en het was met onverholen trots dat hij ons in 4 Gym vertelde hoe hij door Uitgeverij Het Spectrum aangezocht was als auteur voor bovengenoemde uitgave in de Prisma-Boekenreeks.
Ik herinner me nog letterlijk hoe Van Baars met een smile van oor tot oor vertelde over de formulering van het voorwoord, dat besloot met de woorden: ‘Voor welwillende kritiek van bevoegde zijde houden wij ons aanbevolen. – Den Bosch, 1955.’ – Met name dat ‘van bevoegde zijde’ was zijn grote trots, op kritiek van minkukels zat hij niet te wachten, hij was tenslotte wel een serieus te nemen auteur, zeg!
Met Van Baars werd in zulke gevallen hard meegelachen, overdreven hard meegelachen. Over het randje van uitlachen, dat was het bij Van Baars. Totdat hij dat eindelijk doorkreeg, en ons bozig tot de orde riep voor een verder chagrijnig verlopende les met rotbeurten en onvoldoendes.
(Ondanks dat we allemaal al over een woordenboek Engels beschikten, schafte iedereen uit onze klas voor 1,25 gulden het desbetreffende Prisma-woordenboek aan. Zíjn trots was tenslotte ook een beetje ónze trots.)

Knuvelder, Bloemlezing 1
Knuvelder, Bloemlezing 1

Katholieke signatuur – In 4 Gym ook kregen wij bij Nederlands te maken met de boeken voor letterkunde van de Brabantse auteur Gerard Knuvelder, t.w. Schets, Bloemlezing 1, Bloemlezing 2, en Compendium. Hoe ik later ook over de man en zijn boeken ben gaan denken, met name zijn Bloemlezing 1 (van middeleeuwen tot 1900) heb ik in de loop van de jaren eindeloos vaak geraadpleegd, er zelfs heel wat teksten van uit het hoofd geleerd.
Van de begeleidende teksten van Knuvelder herinner ik me niets, van de gebloemleesde teksten zelf des te meer. Van ‘Het daghet in den Oosten’, het ‘Egidiuslied’, het ‘Ic was in mijn hoofkijn om cruyt gegaen’ van Suster Bertken, en de ‘Klaghte der Prinsesse van Onranjen, over ’t oorlogh voor ’s-Hartogenbosch’ tot en met ‘Het boeren-geselschap’ van Bredero, ‘Max Havelaar’ en het ‘O, wilde en onvervalste pracht’ van Guido Gezelle – ik weet ze allemaal nog blind te vinden in mijn aftandse exemplaar van ’Knuvelder 1’.
Pas veel later ontdekte ik het wijwater-karakter van de bloemlezer, die rustig alle wat pikantere delen van de Reinaert, Hadewijch of Bredero zonder enige verklaring wegliet uit de originele teksten. Niet zozeer ter bescherming van de al te tere kinderziel (15 jaar inmiddels, bijna 16!), maar omdat de leiding van de katholieke middelbare scholen in Brabant (OMO = Ons Middelbaar Onderwijs) er te schijterig beducht voor was. (En waarschijnlijk ook wel op verzoek van de al even schijterig katholieke uitgever Malmberg.) Maar ja,1955 hè, de inkt van het Bisschoppelijk Mandement (1954) was nog maar nauwelijks droog. En dus… zat de schrik er goed in. Bij de bazen.

Waarover spraken zij? – Veel leerlingen van onze klas verzamelden zich voor schooltijd ‘onder de bogen’ in de Hinthamerstraat, op 2 minuten hollen van de laatste bel. Ach, het was weer eens wat anders, iets héél anders dan dat rommelige voetballen en samenhokken op de ‘cour’, die grote kale plaats tussen het schoolgebouw en de tuin van ‘de zusters’.
‘Onder de bogen’ beleefde ik de eerste echte verbale contacten met mijn klasgenoten. Je leerde er kijken in andermans huiselijke omstandigheden, je kreeg er iets mee over Romy Schneider als Sissi (wat elitair genomen buiten de gymnasiale interessewereld viel), het muzikale geweld van wat rock ’n roll ging heten, de relletjes in de Orthenstraat na afloop van de film ‘Rock around the clock’ met Bill Haley & his Comets, de eerste successen van die ‘volkse’ Johnny Jordaan met z’n hittige meezingers, de rodddels over de leraar die gearmd fietsend met z’n vrouw op de hoek van de Nieuwstraat gesignaleerd was. En soms was daar ineens ook de maatschappij, de politiek, het wereldtoneel. Hongarije 1956 zat er al aan te komen, en wij hadden het erover.
Niet dat er altijd eensgezindheid heerste, er ontstond echter wel iets van een redelijk voor en tegen, hoe je verschillen van inzicht uitdrukt, een mening vormt, de krant napraat of bekritiseert – of wat de vader van Gert-Jan de Rooy ervan vond natuurlijk.

Een nieuw geluid – Achteraf bezien breken er natuurlijk voortdurend nieuwe tijden aan. Denk aan de vijftigers, dichters van het ware nieuwe geluid, die het allemaal weer eens heel anders gingen doen. Lucebert, Schierbeek, Campert, Kouwenaar, ach, ze komen allemaal nog aan bod. Maar nu nog even niet.
Omdat ik nu ruim baan geef aan een vernieuwer uit onze ‘eigen tijd’, Ramsey Nasr (1974). Acteur, dichter/schrijver, regisseur, stadsdichter (Antwerpen), dichter des vaderlands (2009-2013), en dat alles van ongekende statuur. Van hem kwam in 2004 de bundel ‘onhandig bloesemend’ uit (De Bezige Bij). Daaruit citeer ik nu het gedicht ‘wonderbaarlijke maand’, p. 27.
‘Deze dichter,’ oordeelde Vrij Nederland, ‘spreekt met de gedrevenheid van een ziener die zijn innerlijk kenbaar wil maken. Zijn woorden willen meeslepen, zijn inzet is totaal.’ – Ik zou zeggen: lees, en proef de nieuwe taal van alweer een nieuwe tijd.

Ramsey Nasr - onhandig bloesemend
Ramsey Nasr – onhandig bloesemend

WONDERBAARLIJKE MAAND

dat was in de wonderbaarlijke maand
van bloesemingen en overvloed
toen mijn borstkas opstoof als papaver
ribben in sierpennen uitwaaierden
mei mijn magere taal openbrak
vergelijkingen vrat als vuur water

ik schaamde mij diep naar poldergewoonte
in loden jas tussen druppel en wind
ongevoelig bij takken struikgewas doornen
had ik licht opgevat
                                          ik wreef haar in
en doorzichtig vernederend fonkelniezen
kwam over mij o wonder daar ging ik
men zou van minder uit schamen gaan
maar dit was mijn ziekte baarlijke liefde

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *