1970 – De nieuwe tijd, net wat u zegt

Bij het begin van alweer een nieuw decennium moet ik eerst een vuiltje wegwerken dat mij pas onlangs met van verdriet verstikte stem ingefluisterd werd: het huwelijk van mijn jongste zusje N. met haar buurjongen L. – In 1969!

Hoe ik dat kon vergeten? Telde zij niet mee soms? Was zij te min? Het nakomertje dat de grote stroom niet bij had kunnen houden? Nou? Nou dan!
De vraag- en uitroeptekens tollen sinds die fluistersessie dusdanig wervend in me rond dat er geen houden meer aan is, ik móet erop terugkomen, en ik gá er op terugkomen! Want gut ja, en inderdaad, mijn jongste zusje, speciaal zeg, en het beste pa…, nou dan! (Laatste uitroepteken, beloofd.)

Oogjes dicht en snaveltjes toe
Het gaat om het laatste huwelijk in ons ‘ouderlijk’ gezin, met als bijzonderheid dat er voor het eerst een niet-katholiek de familie komt binnendenderen. Met de nodige stennis en met een eigentijdse oplossing, dat zeker: de ‘huwelijksdienst’ wordt verzorgd door de combinatie pastoor-en-dominee. We hebben hier te maken met wat toen een ‘oecumenisch’ huwelijk is gaan heten, en dat tegen alle traditie ingaat dat bij ‘twee geloven op één kussen’, daar ‘de duivel tussen’ slaapt. Maar de jeugd is eigenwijs, zij spot met gezag en historie, telt de liefde boven alles, en wil het ‘zelf weten’. Nou, dan móeten ze het maar zelf weten! (Sorry, voor dit allerlaatste uitroepteken.)

Twee geloven op één kussen...
Twee geloven op één kussen…

Het wordt kortom een gezellig huiselijk feest, met tranen van verlatinghe bij mijn ouders, en met als avondlijke toegift onze eigen versie van de ‘Fabeltjeskrant’, in dat jaar niet toevallig het populairste tv-programma. Het script voor dat avondje ben ik helaas kwijtgeraakt, maar het was in mijn herinnering een daverend succes, tot en met de slotopdracht van Meneer de Uil aan de jonggehuwden om bij het kussen ‘de oogjes dicht en de snaveltjes toe’ te doen.

Wat? In het jaar 1970 toch nog weer terugkomen op de jaren zestig? Het is verwarrend, dat geef ik toe. Maar waren die jaren zestig niet juist bezig om verwarring te zaaien, in alle gelederen, in alle generaties, in alle mogelijke omstandigheden? Waren er aan het eind dan helemaal geen zekerheden meer?
Het antwoord op die laatste vraag (en daarmee impliciet op alle vorige) is ‘nee’. Sterker, de verwarring zal nog flink toenemen in de jaren zeventig, tot en met de RAF-aanslagen, Vietnamese bootvluchtelingen, en de autoloze zondagen als nieuwerwetsigheid van het kabinet Den Uyl. Om met gemakzuchtig vooruitziende blik maar eens wat te noemen.

In de prijzen
In onze boekenkasten staan drie prijstitels van boeken die mijn alderliefste overhield aan de jaren dat zij avond-havo deed (1969-1972). Daarbij excelleerde ze in de talen Nederlands, Duits en Engels. Louter negens. En dat ging dan weer gepaard met cadeauboeken van de Culturele Raad van Noord-Brabant omdat zij in die talen de beste was. De brief van de Raad o.l.v. Dr. G.P.M. Knuvelder rept van ‘de goede resultaten die aanleiding geven u geluk te wensen’, en van de cadeauboeken ‘waarvan wij aannemen dat u er plezier aan beleeft’. Om welke prijs-boeken het gaat, tja, dat is mij intussen ontschoten. Erger, mijn alderliefste weet het zelf ook niet meer. Dat verzwakt weliswaar dit prijsbericht, maar de brief van de Raad, die hebben we wel degelijk.

Prullenmand van sisaltouw
Prullenmand van sisaltouw – bleek niet vuurbestendig!

Wat ík me vooral herinner van die periode is, dat mijn liefde op die avondschool louter vrienden opdeed, geen vriendinnen. Hoogstwaarschijnlijk záten er toen helemaal geen andere dames op dat avondcollege. Hoe dan ook, die vrienden kwamen bij ons ook wel ‘gezamenlijk studeren’, wat één keer resulteerde in een heuse brand waar de brandweer aan te pas moest komen. Een opgerookte sigaret was in de sisaltouwen prullenmand terecht gekomen in plaats van in de asbak. Toen we met z’n allen beneden koffie zaten te drinken kraaide de rode haan van boven, en werden even later alle boeken door de brandweer het raam uitgesmeten. Kostbaarste verlies: twee volledige jaargangen van het kritisch neerlandistieke tijdschrift Merlyn waar ik m’n hart nogal aan verpand had.

Veel erger was de paniek die onze kinderen Ma en Mi ondervonden toen ze om veiligheidsredenen de deur uit moesten. Ik hoop dat ze deze gebeurtenis inmiddels volledig verdrongen hebben en dat ze ons vergeven hebben. Volgens mij waren wij zelf ook nogal aan angst en beven ten prooi. – Enfin, na de schoonmaak- en opknapbeurt was het hele huis er navenant beter aan toe, fris geverfd en alles vergoed door de verzekering. Maar niet voor herhaling vatbaar, godbewaarme.

Richtingenstrijd
Terwijl in Noordwijkerhout het zogenaamde ‘pastoraal concilie’ in beraad bijeen was om enige moderniseringen in de Nederlandse Katholieke Kerk te bepleiten en af te dwingen, vatte mijn werkgever Uitgeverij Malmberg het plan op om het boek Het zieke ambt uit te geven. ‘Het zieke ambt’ is dat van de celibataire priester, die vaker en vaker een vriendin zoekt en ermee samen wil leven. Een visie die in Noordwijkerhout breed gedeeld wordt, maar bij Rome en delen van onze uitgeverij tot grote spanningen leidt. De verkoopleider vindt zo’n uitgave bij Malmberg een klap in het gezicht van al die trouwe Roomse boekhandelaren die van dat modernisme niks moeten hebben, en die ‘Rome’ trouw blijven. En die dat van ‘hun’ uitgever ook verwachten.

Kardinaal Alfrink had het moeilijk in Noordwijkerhout
Kardinaal Alfrink had het moeilijk in Noordwijkerhout

Ik herinner me nog goed hoe ik – vanwege de geboden haast om het boek op tijd in de (algemene) boekhandel te krijgen – het hele weekend de drukproeven heb zitten corrigeren, en die met enige trots op maandagmorgen bij de productieafdeling in ging leveren. Om daar tot m’n stomme verbazing en ergernis te vernemen dat het hele project inmiddels door de directie afgeblazen is. De verkoopchef heeft het pleit gewonnen, de uitgever heeft het gevecht verloren, en de directeur is aan een week vakantie toe en daar meteen maar aan begonnen. – Ondanks mijn lage loon worden de weekenduren niet vergoed. En ik ben blij dat ik niet ‘een van mijn mensen’ met de klus opgezadeld heb.

Eigen richting
Om het beeld van een nieuw decennium extra kracht bij te zetten, zijn sommigen in de samenleving geneigd en genegen om daar volgens eigen inzicht naar te handelen. Zo hadden ‘velen’ er schoon genoeg van hoe ons nationale symbool De Dam in Amsterdam het bezit geworden leek te zijn van ‘langharig werkschuw tuig’ van over de hele wereld. Dat zit maar te blowen op die heilige plek, dat blijft daar maar pitten in meegebrachte slaapzakken, dat zit daar maar te zingen en te niksen, dat kan zo toch niet doorgaan, een zwijnenstal maken die hippies ervan.

Het protest wordt aangevoerd en chocolatoir beletterd door de krant van – toen nog net niet – Wakker Nederland. Onze Jantjes, de mariniers uit Doorn en Den Helder, hebben er wel oren naar om het protest eens concreet in te vullen. Op de mooie dag van 25 augustus sluiten zij de rijen voor het gebouw van De Bijenkorf, richten de baretten, rechten de ruggen, en ‘vegen met knuppels en koppelriemen De Dam schoon’. Een staaltje eigenrichting die de helft van het land toejuicht, en de andere helft verfoeit. De leiding van de marine keurt de acties af en straft de deelnemende mariniers. Minister-president P. de Jong keurt het optreden weliswaar af, maar geeft later in een interview aan wel sympathie voor de actie gehad te hebben. – Een blamerende smet op je blazoen is het, Piet, en dat is het.

Dichter van ‘De Goddelijke Gekte’
Rond 1970 komt de dichter Hans Vlek (Amsterdam, 1947) in Den Bosch terecht. Of het nou alleen maar in hem zit, of toch ook een beetje in Den Bosch: hij komt daar meerdere keren in psychiatrische inrichtingen terecht. Uit eigen ervaring kan ik melden dat zijn gedrag op straat en in winkels knap vervreemdend en verbaal nogal intimiderend overkwam. – Hoe het tegenwoordig met de dichter gesteld is, kan ik helaas nergens achterhalen. We moeten het alleen met zijn werk doen, en dat is goed.

Hans Vlek bij De Draak (voor het Bossche station)
Hans Vlek bij De Draak (voor het Bossche station)

Vlek schreef meer dan tien dichtbundels (ik noem als voorbeelden Een warm hemd voor de winter, Voor de bakker, Onnette sonnetten en vooral De Goddelijke gekte), en kreeg jaarlijks een bijdrage uit het Fonds voor de Letteren. – Werk van Vlek is o.a. te vinden in de bloemlezing Groeten uit Den Bosch – Gevelgedichten. Op de zijgevel van Restaurant Tante Pietje aan de Korte Putstraat is onderstaand gedicht van hem aangebracht:

ALS IK STERF

Als ik sterf,
dan liefst
zoals
Sarah Bernhardt.
Theatraal,
groots,
ontroerend.
En dan
weer opstaan
voor de bloemen.

2 gedachten over “1970 – De nieuwe tijd, net wat u zegt”

  1. Hallo hallo, het is me gelukt. Hier ben ik dan. Ik vond het heel leuk
    dat je over mijn bruiloft hebt geschreven. Heb zeer hartelijk gelachen. Het is je vergeven dat je een jaar te laat was. Helaas heb ik het script van de Fabeltjeskrant niet meer kunnen vinden.
    Dus kunnen we het niet meer teruglezen. Heel jammer! Gr. N.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *