1973 – Het MEJ-project / Malmbergs Educatieve Jeugdbladen

Mijn mooiste van de ‘Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming’ (De Arbeiderspers , 1973) van Heere Heeresma heet ‘Een Winkelier keert niet weerom’, en is door Nouchka van Brakel verfilmd met Rijk de Gooyer en Johnny Kraaikamp sr. in de hoofdrollen. Een zwarthumoristische film van krap 20 minuten, vol verkapte doodsdreiging, en onontkoombaar op weg naar het einde.

Heere Heeresma - ... voor bij de centrale verwarming
Heere Heeresma – … voor bij de centrale verwarming

De rollen van de porseleinwinkelier (een kleinburgerlijke elckerlyc in regenjas met strakgesnoerde ceintuur) en de postbode (de dood in zijn zwarte cap en cape op de fiets ploemploem) zijn Johnny en Rijk op het lijf geschreven: de een ‘n quasi verlepte onnozelaar, de ander de gehaaide onvermijdelijkheid. – Enfin, mocht u verhaal noch film kennen: gun uzelf dan de 19.23 minuten uit onderstaand filmpje, of in elk geval het eerste deel ervan. U zult er geen spijt van hebben. Want o, de oneindigheid, de eeuwigheid van dat watertje, dat bootje, dat weggetje, en o de dialogen van ‘die twee’, o, nogmaals o – en dan op het laatst die avondzon nog!

Zo’n verhaal had ik zelf graag geschreven willen hebben, al vanaf de dag dat ik in 1973 bij Uitgeverij Malmberg overstapte van de bureauredactie boeken naar de redactie van de jeugdbladen. Voordien was ik jaren bezig geweest om het materiaal van anderen te vervolmaken (redigeren, corrigeren, suggereren), nu kreeg ik de kans om ook zelf scheppend bezig te zijn. Met Heere Heeresma (1932-2011) als een van m’n lichtende voorbeelden.

Waren mijn twee directe voorgangers bedreven in het rijmende vers (met de licht-ironische kijk van Taptoeter Frans) resp. het ontregelende bordspel (idee en uitwerking: Wim van K.), ikzelf kon daar nog maar weinig creatieve producten tegenover stellen. Ja, een stel ‘vrije‘ poëtische ontboezemingen in eigen beheer, enkele min of meer hilarische toespraakjes namens de ondernemingsraad, en niet te vergeten mijn talloze opstellen voor Prof. dr. P.C. Paardekooper natuurlijk – dat was het wel zo’n beetje.

Taptoe
Taptoe – jaren zeventig

Samen met mijn mederedacteur Rob M. zette ik mij aan de eerste blanco ‘indeelvellen’ van het educatieve jeugdblad Taptoe (10-12 jaar): wekelijks 32 pagina’s waarvan elke vierkante centimeter eerst bedacht en ingevuld moest worden, daarna ‘uitgezet’ bij derden of eigen mensen, en vervolgens met de juiste instructies naar tekenaars, fotografen en andere illustratoren. Bespreken met vormgeving, planning, productie, en dan nog de ‘centen’ natuurlijk. Controle, correctie, voorlopig fiat / nieuwe controle, correctie, definitief fiat. – Er komt nog heel wat bij kijken, bij zo’n ‘blaadje’ maken, dat bleek.

Jippo
Jippo – jaren zeventig

De ‘jaarplannen’ waren nog door onze voorgangers gemaakt, maar die zaten vol hiaten en ‘mogelijkheden tot nadere invulling’. Hoeveel tekenaars kenden Rob en ik zelf eigenlijk? Waar vind je de beste verhalen? Wie bedenkt de cover? Hoe pas je al die ideeën in het grotere verband van een eigen identiteit? Zijn de ‘redactionele pagina’s’ al ingevuld? Heeft Marijke de binnengekomen ‘lezerspost’ al gesorteerd en van spitse antwoorden voorzien? – Deze en letterlijk duizend en een andere kwesties moesten Rob en ik elke dag weer verzinnen, beantwoorden, zelf maken, corrigeren, opnieuw maken, verdedigen, herstellen. Wij waren er in betrekkelijke onnozelheid ingestapt, en al na een paar dagen begonnen wij er knap zenuwachtig van te worden. De planning zat ons voortdurend op de huid, het budget dreigde elke week te exploderen, tekenaars werden ziek, schrijvers zaten voor het blok, en zelf waren wij nog niet helemaal toegerust voor het genereren van de beste ideeën. Maar…

Okki
Okki – jaren zeventig

Gelukkig waren wij niet alleen: aan de andere bladen (Primo, 4-5 jaar / Okki, 6-7 jaar / Jippo, 8-9 jaar) werkten Henk en Piet, Mieke, Hans en Marja en Eija, en later ook Paul, Frans, Lidy, Floor en Rien, en die hielpen ons uit de brand en in de droom, wezen ons de betere wegen en tipten de beste buitenstaanders. Zenuwen maakten plaats voor plezier en goede ideeën, ontspannen gesprekken leidden als het ware vanzelf naar een juiste aanpak en hilarische invallen. Het werd allengskes een groot genoegen om vanuit een optimistische basisfilosofie nieuwe bladen voor kinderen te bedenken, aantrekkelijke jaarplannen op te stellen, rode lijnen uit te zetten, nieuwe mensen te vinden, grote namen te interesseren.
En werkelijk alles en iedereen werd ingeschakeld: onze twee kinderen waren al die jaren de ideale rol- en fotomodellen, mijn alderliefste bereikte als reporter en onderzoekster de hoogste toppen bij Jippo. Wij waren als gezin kortom en op den duur het halve MEJ-project 2.0.

En wat zeker ook hielp: MEJ (Malmbergs Educatieve Jeugdbladen) werd(en) in de tweede helft van de jaren zeventig een groot commercieel succes: voor enkele jaren waren ‘wij’ zelfs de kurk waar Malmberg op dreef, wij van de jeugdbladen bevonden ons op het schild. – En donderden daar een tijdje later met groot geraas weer vanaf, maar dat kan gelukkig nog een paar biografiejaren wachten.

In 1973 zitten we met het MEJ-project immers nog maar net aan het begin van Heere Heeresma’s verhaal, wanneer de porseleinwinkelier ‘vandaag geen zin’ heeft in zijn gewone werk, en ‘maar eens iets leuks’ gaat doen, beetje vissen, beetje roeien, saffie roken in de vrije natuur.
– Sodeju, geen een lucifer meer.
– Hallo daar, meneer de postbode, heeft u misschien een vuurtje voor mij, alstublieft?
Nou ja, zo begint dat dan allemaal.

Aan het werk op deOlympia 25, die nog steeds in mijn bezit is.
Aan het werk op de Olympia 25, die nog steeds in mijn bezit is.

Enfin, zo’n geweldig verhaal als dat van Heeresma, dat heb ik nooit gepresteerd. Privé week ik van het begin af aan liever uit naar de poëzie, de ‘notitie aan de binnenkant’, betrapte realiteit met een slinger erachteraan. Zoals in onderstaande ontboezeming ‘De grote oversteek/gok’, het begin van een gewone werkdag bij de educatieve jeugdbladen van Malmberg, maar ‘vooral ‘s maandags’ zag ik dat zo, van 1973 tot 1983, tien beste jaren (op het laatste staartje na).
Mijn gedicht is helaas niet van Heere Heeresma, maar gelukkig is het overmorgen wél 1 oktober: tijd om tegen de centrale verwarming aan te schurken.

DE GROTE OVERSTEEK/GOK

elke morgen maar
vooral ’s maandags want
dan hangen mijn fiets
en ik nog
wat meer uit het lood en

staan de luxe
(opnieuw luxe) auto’s

wat slordig/wat heet
voor het hek en het rek
waag ik
met onvaste stap en het haar overeind
gelijk met de melk-
man allang niet meer boer
de grote oversteek/gok
naar de ijzeren deur
doorzichtige toegang tot
klokkaart en wij-
ziging top vnu
langs marga – dag kerst pardon christiaan –
trap en het
grafisch zwartwit aan de muur
tenslotte gereed denk ik ik wel
– dag rien, morgen piet, ha die Mieke –
voor het duel
met het vel leeg maar
weerbaar zeer weerbaar
papier
benieuwd wie vandaag
– de machine of ik –
de beslissende slag
zeg maar aanslag pleegt
een spannend bestaan dat zeggen ze ja
zo iedere dag
vooral ’s maandags
zie je dat
zo

 

Een gedachte over “1973 – Het MEJ-project / Malmbergs Educatieve Jeugdbladen”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *