1975 – Flarden twijfel en verwondering

Op 10 september 1975 begon ik mijn ‘Dagboek van een dertiger’. Ik was toen 35 jaar om precies te zijn. Mijn alderliefste 32, onze kinderen Mi nog net 9, en Ma 8. Wij woonden (toen nog) in een nieuwbouwwoning in De Kruiskamp (Den Bosch), en ik werkte als redacteur bij Uitgeverij Malmberg aan het jeugdblad Taptoe. Bloedgroep: O pos., lengte 1.70 m en mijn schoenmaat 40. – (Ik noteerde deze personalia op bladzijde twee onder de bedenking: Waarom schrijf ik dit allemaal op? Ik schrijf toch voor mezelf? Weet ik dan wie ik ben?)

Dagboek van een dertiger, 1975
Dagboek van een dertiger, 1975

Hoe dan ook, het dagboek was een lang uitgesteld initiatief, omdat ik bang was dat ik er niet consequent elke dag iets in zou noteren. ‘Maar,’ schrijf ik ergens in die eerste week, ‘nu heeft de lectuur van een aantal dagboeken (o.a. Anais Nin, Annie Romein-Verschoor) me intussen geleerd dat dagboeken geen dagboeken (hoeven te) zijn’.
Waar je al niet bang voor kunt zijn zeg. Enfin, een dagboek is mijn multomap bepaald niet geworden, zelfs geen ‘dagboek’, ’t is meer een flardenboek waarin twijfel en verwondering over wat ons in de jaren zeventig allemaal ‘overkwam’ overheersen. En in tegenstelling tot wat mijn eigen geheugen over die tijd ‘zegt’, bleek er ook nogal wat verdrietelijks voorbij te komen. Heel jammer vind ik het dus niet dat ik dat dagboek maar betrekkelijk kort volgehouden heb.

Toch was het niet moeilijk om voor dit autobiografische jaar 1975 een paar stukjes te selecteren waar ik mezelf gemakkelijk mee bloot durf te geven. Zie, en vergelijk ze eens met een willekeurige telefoon-, email- of facebook-pagina. En je herkent de braafheid van toen, onnozelheid misschien, onschuld. Het zijn geen teksten om ‘te delen’, ze vragen niet om goed- of afkeuring, ze ‘willen’ niks, ze zijn. Punt.

Fusilladeplaats Vught
Fusilladeplaats Vught

Vrijdag 12 september 1975
“Vanmiddag op mijn therapeutische fietstocht ook de fusilladeplaats in de bossen rond de IJzeren Man (Vught) sinds jaren weer eens bezocht. Ik heb op de rand gestaan waar ook de slachtoffers gestaan moeten hebben. Erachter is een diepe kuil, waar denk ik de neergeschoten lichamen in ploften.
Er stonden wat verse bloemen. En bij bestudering van de in steen gebeitelde namen en data bleek dat veel slachtoffers juist op 4 en 5 september 1944 ‘uit het leven weggerukt’ werden.
Ik was toch weer onder de indruk, en heb de fusilladeplaats met de fiets aan de hand, lopend, verlaten.”

Nieuwbouwwijk De Kruiskamp, jaren zestig
Nieuwbouwwijk De Kruiskamp, jaren zestig

Woensdag 1 oktober 1975
“Vanavond bleek weer eens dat onze kinderen het in deze buurt bepaald niet gemakkelijk hebben. Er zijn veel ruzies. Wij krijgen steeds meer het gevoel dat we hier weg moeten. Als Ma en Mi al eens bij vriendjes gaan spelen dan is dat niet hier in de straat. Niet zo best.
(Het is zeker voor een kind pijnlijk om gepest te worden met het anders zijn van ouders en gezin: ‘Brandnetelsoep!’, géén auto, en linkse affiches op de deurruit. Ik word er ook wel eens moedeloos van. Stellen wij ons nou echt zo extra-ordinair op of loopt de rest van de buurt hetzij uit de pas, achter, dan wel in een andere richting?)”

Antropomorfisme: menselijke eigenschappen toekennen aan...
Antropomorfisme: menselijke eigenschappen toekennen aan…

Zondag 12 oktober 1975
“Vanochtend na het heerlijke ontbijt aan tafel nog wat taalgymnastiek met de kinderen gedaan, synoniemen geven. Ik kan me steeds weer naar twee kanten verbazen. Aan de ene kant blijken ze dingen te weten die je niet voor mogelijk houdt, en aan de andere kant zitten ze met hun handen in het haar bij ‘eenvoudige’ woorden als vitrage en zo. – Enfin, ze kunnen f 10,- verdienen als ze over een jaar nog precies kunnen uitleggen wat een syntagma en een paradigma zijn. Je weet maar nooit. – En wat een moeite ze doen om woorden als ‘antropomorfologie’ uit te spreken! Aardig. Duidelijk een extraatje.”

Donderdag 6 november 1975
“Van dat uitschrijven van die korte aantekeningen is weer niks terecht gekomen. Bovendien vergat ik een belangrijke gebeurtenis te noteren. Dat krijg je als je steeds ongeveer een week moet overbruggen.
Vrijdagmiddag belde m’n alderliefste M. me tegen half vijf op. Er waren kinderen komen zeggen dat onze poes Tijgertje ’dood op het veldje lag’. M. – in tranen – kon de moed niet opbrengen om haar te gaan halen.
Ik naar huis, meteen. En trof daar twee zeer verdrietige mensen. M. en Ma (die een griepje had). Ik met een doos naar het veldje. Niks te vinden. Tenslotte een stel spelende kinderen gepolst. Die verwezen me naar een ander groepje kinderen, met schop. Ze bleken Tijgertje een uurtje daarvoor gevonden en begraven te hebben. Het leek me het beste om het poesje daar maar te laten. Thuis ontstond er ’n echte grafstemming, met tranen en echt verdriet.

Een poes als Tijgertje
Een poes als Tijgertje

Ma maakte onmiddellijk een soort rouwkaart: wit met zwarte rand. Hij tekende er ’n zandberg op waarop een kruis stond. Op het kruis zette hij de tekst: “Ter ere van Tijger.” – Hij stond erop dat we de ‘advertentie’ aan het prikbord hingen. Hij hangt er nog!
Op verzoek van Ma aten we ‘rouw’. (‘Ja, ik bedoel niet ongekookt, maar zoals bij het doodgaan van mensen.’) We hebben witte broodjes met kaas gegeten. En een krentenbol toe, uit dankbaarheid voor de fijne dagen die we met Tijgertje beleefd hebben. Mi heeft tot tien uur in bed liggen huilen.
We hebben besloten om voorlopig geen nieuwe poes te nemen. Eerst moet Tijgertje de kans op een echte herinnering gekregen hebben.”

De trein bij Wijster
De trein bij Wijster, na de beschieting

Woensdag 17 december 1975
Het valt me op hoezeer het ‘buitengebeuren’ eigenlijk buiten dit dagboek blijft. Ik heb tot nu toe bijvoorbeeld niets (?) vermeld over de dood van Franco, over de treinkaping/gijzeling bij Beilen en die in het Indonesische consulaat in Amsterdam. Het gaat hier om de zaak van de Zuid-Molukkers in Nederland, die nu al zo’n vijfentwintig jaar wachten op de verwezenlijking van de RMS, een Vrije Zuid-Molukse Republiek – waar in het huidige politieke tijdsgewricht geen sprake van kan zijn.
Nederland zit met deze kwestie behoorlijk opgescheept. De regering gaat op geen enkele eis van de ‘terroristen’, ‘kapers’, en dergelijke kwalificaties meer, in.
Maar ach, misschien zie ik zulke dingen ook niet zozeer als ontboezemingen voor een dagboek. Ten onrechte wellicht. Denk dat ik er binnenkort – als ik weer in wat rustiger vaarwater ben – nog eens uitvoeriger op terugkom.”

Paul van Ostaijen (1896-1928)
Paul van Ostaijen (1896-1928)

Zondag 28 december 1975
Met Mi enkele gedichten van Paul van Ostaijen gelezen (o.a. ‘De Duitser’ uit ‘Diergaarde voor kinderen’: “De Duitser is een zoogdier / dat rond 25 December de / nabijheid van een kleine den- / neboom opzoekt…”). – Het Ooievaartje ‘Music-Hall’ (bezorgd door Gerrit Borgers) boeit me ineens weer zeer. Ik neem het nu mee naar bed om er nog wat uit te lezen, ‘Stabiel is het kraplak’ bijvoorbeeld (eigenlijk heet het, lees ik nu: ‘Merkwaardige aanval’). Volgens Borgers ‘het enige geschreven schilderij’.

Tegen Ma zeg ik ’s avonds vaak als ik hem onder stop:

Slaap als een reus
slaap als een roos
slaap als een reus van een roos
reuzeke
rozeke
zoetekoeksdozeke
doe de deur dicht van de doos
Ik slaap

Hij was er zeer verbaasd over dat dat in een boekje staat ‘van een hele beroemde schrijver’. (Paul van Ostaijen, ‘Berceuse Nr. 2’.)

 

Een gedachte over “1975 – Flarden twijfel en verwondering”

  1. Ik kan me niet herinneren die 10 gulden ooit ontvangen te hebben maar ja ik weet nu dan ook niet meer wat syntagma zijn. Er kwamen wel verdrietige herinneringen boven bij het lezen van dit stuk. ‘Brandnetelsoep’ en, ach ja, Tijgertje.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *