1976 – Klein geluk

Na een bar koude winter (soms tot min 18 graden, en met ijsbloemen op de slaapkamerruiten terwijl de verwarming loeit), wordt het in de zomer stikkend warm. Tussen die twee klimaatuitersten in vallen ‘onze’ drie gebeurtenissen van het jaar: de paasvakantie op Terschelling, de gouden bruiloft van mijn ouders, en onze verhuizing naar de binnenstad van Den Bosch. – Alsof ik na twaalf jaar in den vreemde weer thuiskom.

Halfweg Terschelling
‘Halfweg’ Terschelling 1976

Huisje Halfweg
We hebben in april Huisje Halfweg van Boer Wulp gehuurd – zelf bivakkeren die mensen ’s zomers altijd in hun min of meer aangepaste simpele schuur – en dat is groot genoeg om ook de ouders van mijn geliefde M. een aantal dagen te ontvangen. Die twee doen sowieso niks liever dan al hun kinderen elk jaar op hun vakantieadressen te verrassen, hoewel wij die verrassing dit keer wel moesten afspreken natuurlijk. Ze komen in hun pas aangeschafte Dafje, en daar kunnen wij zo nu en dan van meegenieten als we hen Natuurgebied De Boschplaat willen laten zien.

Sinds die allereerste keer in 1963 is Terschelling voor ons een waanzinnig fijn vakantie-eiland. Dit jaar vat ik dat genoegen in een dichtbundel van 16 ontboezemingen samen, onder de titel ‘Paaseiland Terschelling 1976’. Een ‘gedicht’ (‘notitie’ vind ik overigens nog steeds een beter woord voor mijn schrijfsels) kalligrafeer ik later op een groot vel wit papier dat thuis een tijdje aan de muur geprikt hangt (en / tegen de witte slagroomwitte / scheerschuimkoppen / owee wat aftands  / maar hoe mooi / ouderwets / van de zee / houdt zij zich schuin / in de wind / en haar breisel).
Een andere tekst is voor Mi, en die luidt in kortschrift:
voor mi / haar hoge schoenen / liggen onder de / gehuurde stoel / zijzelf erboven / in onschuldige rust / te dromen dat zij / op blote voeten / over het natte / strand gaat / als een kat / zij droomt vaak van katten haar lievelingsdier / door de sneeuw / hoog op de poten / met ingetrokken / nagels / die nodig / hoognodig / geknipt moeten / worden door / een krab / help papa help / dat is verdriet / in kinderformaat

Een schoon portret
24 juni 1976 is het 50 jaar geleden dat mijn vader en moeder trouwden. Hun ‘huwelijksportret’ heeft al die jaren levensgroot in de huiskamer gehangen, en is ook nu (2015) nog steeds het stralende icoon van onze oorsprong. Mooier bruidsportret heb ik eigenlijk nooit gezien. Vlak voor de gouden bruiloft heeft mijn broer, de antiquair, het nog met zacht witbrood schoongemaakt, waarna het met zwier aan een tweede leven kon beginnen. Mijn ‘ene’ zus is de gelukkige erfgenaam die het portret nog elke dag ziet sinds mijn ouders in 1980/1981 overleden.

Over de zilveren bruiloft van mijn ouders schreef ik al in het feuilletonjaar 1951. En eerlijk is eerlijk, dat feest was onvergelijkelijk veel indrukwekkender dan de gouden bruiloft in 1976. Werd dat eerdere feest ‘aan huis’ gevierd, dit keer moest het allemaal grootser en sjieker, mijn moeder met haar 1.50 meter ‘in het lang’ en mijn vader in het deftige zwart en grijs van het verleden. Mijn broers en ik regelden een receptie en een diner bij ‘Royal’ in de Visstraat, en ’s avonds danste de familie op de muziek van de George Baker Selection (‘Una Paloma Blanca’!). Business as usual, dus.

Van de ‘Heilige Mis uit dankbaarheid’ en de cadeaus die we als naaste familie gegeven hebben, kan ik me totaal niets meer herinneren. En tijdens de receptie namen mijn alderliefste M. en ik enkele van mijn broers en zussen mee naar de Dommel, om hen ons toekomstige nieuwe huis te laten zien. (Maar ja, wonen aan de Westwal, dat dóe je toch niet! Dixit mijn moeder.) Mijn vader is er na het overlijden van mijn moeder één keer geweest, met een cadeau dat ie van zijn AOW-vakantiegeld gekocht had: een 17e-eeuws ingekleurd ‘Gezicht op Den Bosch’, uit de winkel van Hendrik de Laat aan de Vughterstraat. Het hangt nog steeds duidelijk in het zicht van onze woonkamer, als een van onze eigen iconen.

Wonen aan De Dommel in Den Bosch
Wonen aan De Dommel in Den Bosch

Wonen aan de Dommel
‘Kijk,’ zei ik vanuit mijn nieuwe werkkamer op de eerste verdieping tegen mijn schoonmoeder toen ze onze nieuwe oude woning met een bezoek vereerde en ik haar met een weids armgebaar op de veelvormigheid en architectuur van al die oude panden wees, ‘hoe mooi oud Den Bosch eruitziet.’ / ‘Mooi?’ mompelde ze getroffen, ‘Mooi? Oude meuk zul je bedoelen.’ – Nooit zal ik deze korte dialoog vergeten, hij snijdt me nog altijd door de ziel, hoeveel ik ook van mijn schoonmoeder gehouden heb.

Als ons oog in het voorjaar van 1976 vanuit de stadsbus op een ‘hebben we altijd al willen hebben’-huis in de binnenstad valt, is de teerling geworden. Dát huis willen we hebben. De vraagprijs valt ver buiten onze horizon, maar de verkopende makelaar geeft geen krimp: 135.000 gulden zal het zijn of het zal niet zijn. Het wordt uiteindelijk gewoon 135.000 gulden. En buikpijn.

Op het werk ben ik inmiddels en na gedegen Amsterdams psychologisch onderzoek gepromoveerd tot hoofd van de redactie jeugdbladen, met meer verantwoordelijkheden, meer centen, en gratis telefoon ‘omdat ik jou altijd moet kunnen bereiken’ (aldus directeur Oene Gorter in het aanstellingsgesprek). Zodoende denken wij de sprong, terug naar de binnenstad, dan toch maar te wagen; enige slapeloze nachten – ‘en hoe gaan we dat dan betalen?’ – ten spijt. Het huis verkeert in tamelijk goede staat, dus daar gaan we voorlopig geen extra geld in steken.

Bij ‘voerman’ Sars huren we een verhuiswagen, we ronselen al (nou ja, bíjna al) onze vrienden uit de Kruiskamp-tijd, en laden op een warme juli-zaterdag binnen luttele uren heel ons hebben en houden in en dan weer uit. Of uit en in, net hoe je het bekijken wilt. En we trekken wel 5 km verderop, of terug (net hoe je…)! De binnenstad, het prachtige huis, de heerlijke omgeving van de Dommel, die mêlee van alle soorten mensen en leeftijden, dat is thuiskomen hoor!

Onze goede vriendin MB verrast ons met een schitterende oblong pentekening met links de eenvormige zwart-wit-contouren van een nieuwbouwwijk, en ‘logisch’ rechts een ingekleurde binnenstadsomgeving met een overdaad aan diversiteit en groen dat onbespoten tussen de stenen groeit. Een juweel van een welkomstgeschenk, want zelf woont ze zo’n 200 m verderop, ook langs de Dommel, en in een huis dat ze zelf opgeknapt hebben. De tekening zit met ijzerdraadjes tussen twee glasplaatjes geklemd, en zal de eeuwigheid niet trotseren. Maar wij hebben ‘m nog steeds, hij is inmiddels al bijna vier keer meeverhuisd, en ik ben nog altijd dol op dit, alweer!, icoon.

Autorijden? Ga nou gauw fietsen!
Autorijden? Ga nou gauw fietsen!

We zetten envelopsis-klimop tegen de zijgevel, en planten een snel groeiend wilgenboompje op de hoek van het voortuintje. Aan de Dommel-gevel posteren we een houten zitbank, ‘zodat die mevrouw van verderop hier even kan uitrusten als ze met haar boodschappen van de markt komt’. We laten het huis in vier tinten mosgroen verven en vragen vriend T. om de garagedeur te beschilderen met de ENWB-afbeelding ‘Autorijden? Ga nou gauw fietsen!’ – Van het begin af aan voelen we ons alle vier thuis in dit binnenstadshuis zonder tuin, maar met een binnenplaats en een groot plat dak. Het huis levert ons zou je kunnen zeggen ‘negen fantastische jaren’, wat kan een huis meer doen?

Het gedicht, de notitie, maar wat is poëzie?
Dit jaar lijkt wel vol van klein geluk, zin in toekomst, van ‘poëzie’ misschien wel. Niet van die overdreven ‘mooie’ poëzie, eerder van het terloopse, dat pas later tot je doordringt, een glimlach oproept of een tere grinnik zeg maar. Of, om het met de woorden van Remco Campert te zeggen:

POËZIE

Van mooie poëzie heb ik nooit zo erg gehouden
tenzij je niet merkte dat ze mooi was
zoals snel het licht
dat schampt langs een spoorrail
of de sneeuwvlok die smelt op de straatstenen
maar verder
heb ik van mooie poëzie nooit zo erg gehouden
tenzij ze heel mooi was
zoals toen je op de tramhalte stond
en ik je zag in het voorbijgaan

Uit: ‘Nieuwe herinneringen’, Amsterdam 2007, p. 30. – Zonder mij ook maar in de verste verte met Campert te willen vergelijken, geloof ik dat mijn ‘gedichten’ in elk geval de pretentie missen om ‘mooie poëzie’ te willen zijn, het zijn ‘notities aan de binnenkant’ waarin ik een ietsje van mezelf laat zien.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *