1979 – Door de ogen van een kind

Het is zo’n jaar – 1979 – waarbij het persoonlijke in mijn herinneringen maar matig wil vlotten. Ik ken de feiten, natuurlijk, maar het verbindende gevoel voor dit jaar laat maar op zich wachten. Eerst dan maar eens wat feiten.

Ach ja, meneer Minnema!
* Ik werk nog steeds korter dan full time bij de jeugdbladen van Malmberg terwijl m’n alderliefste groeit in haar baan bij de SPD. En als bestuurslid van de afdeling ENWB Den Bosch.
* Onze kinderen Mi (dik 14) en Ma (ruim 13) doen met wisselend succes de middelbare school, maar het plezier van de basisschool bij meneer Minnema wil maar niet terugkeren.
* ‘Punk’ dringt in alle hevigheid en ook tot onze tieners door, uit Vietnam komen bootvluchtelingen deze kant op, en Ajatolla Komeini verdrijft de Sjah van Perzië en roept de Islamitische Republiek uit. De wereld is woelig.

Joseph Luns (1911-2002)
Mr. Joseph – ‘Het was mijn broer’ – Luns (1911-2002)

* Secretaris-generaal van de Navo (en oud-minister) Joseph Luns moet toegeven dat hij in de jaren dertig lid was van de NSB. ‘Maar,’ zoals hij het formuleerde, ‘het was mijn broer die me als lid opgegeven heeft. En die me later ook weer heeft laten uitschrijven.’ – ‘Het was mijn broer’ is sindsdien het gevleugelde excuus als je je ergens onder uit wilt lullen.
* En ja, ik ben echt wel gelukkig met m’n part time werk als huisman. Van al deze feiten ken ik achtergronden en verbindingen, en toch…

Gelukstreffer
Toevalligerwijze trof ik op m’n speurtocht naar persoonlijke herinneringen uit 1979 het mapje ‘Praat me niet van thuis’ terug. Tien opstelletjes waarin ik door de ogen van Mi en Ma naar ons gezin kijk, en die ‘misschien wel iets voor Jippo’ zijn (Malmbergs Educatief Jeugdblad voor de groepen 4 en 5). Ik heb mijn kinderen nooit gevraagd of mijn observaties er in hun ogen mee door konden. Het zijn en blijven dus alleen maar hersenspinsels van mij uit de tijd dat ik de kinderen weer ‘meer van nabij’ meemaakte. – Die stukjes zijn overigens nooit in het jeugdblad geplaatst, de reden weet ik niet meer.
Enfin, twee van die spinsels neem ik hieronder over, als een kleine hommage aan de Mi en Ma van toen. Ook al weet ik nog steeds niet of ik ze er wel écht een plezier mee doe…

THE KING IS IN THE KITCHEN
(met dank aan John Lennon’s ‘Clean Up Time’) 

“Sinds kort kookt mijn vader. Want die werkt nu korter. En mijn moeder langer, maar dan buitenshuis. Enfin, mijn vader kookt dus. Denkt ie. En zegt ie.
Hij begint altijd met een stapel kookboeken. Eerst maar eens neuzen, mummelt ie dan. Ha, rode kool met haché. Dat vond ik vroeger altijd zo lekker. Mmmm… tjee, moet dat zó lang koken? Oggot, dat haal ik nóóit meer!
– Mi, gilt ie dan naar mij (want zo noemt ie mij altijd op papier), ga jij eens vlug een pot gekóókte rode kool halen bij Kiviets.
En daar ga ik dan weer. Met lood in mijn schoenen, want ik weet dat ie ook nog niet aan het vlees gedacht heeft. En melk zal er ook wel niet meer zijn. Moet ik straks natuurlijk nog een keer weg. Ma niet (zo noemt ie mijn broer altijd op papier), nee die niet, want die heeft zijn huiswerk natuurlijk nog niet af. Jaja!
– Asjeblieft, pap. Nou kan ik zeker wel naar buiten, he?
– Ben je al naar de bieb geweest, vraagt ie afwezig in de aardappelmand graaiend.
– Die is vandaag gesloten, lieg ik vlug.
– O, nou, ga dan maar. Kan ik tenminste rustig werken.
Want pottenkijkers kan ie al helemaal niet gebruiken. Wordt ie zenuwachtig van.
*
En weet je waar dat al wekenlang op uitdraait? Heerlijke doppertjes uit blik, met kleffe macaroni of zo, en heerlijke goulash… uit blik. En lekkere appelmoes… uit pot na.
Mijn moeder doet nu vrijwillig aan de lijn. Maar Ma en ik eten ons rot.
En mijn vader vindt dat ie het al heel aardig onder de knie heeft. Dat koken dus.” – 4 april 1979, Mi B.


MIJN GEHEIME LEVEN
(geheel zelf verzonnen titel)

“In de verkleedkoffer zit mijn geheime leven. Want met verkleedkleren kun je zijn wie je wilt. Of tenminste, net doen alsof.
Het liefste speel ik voor sjieke dame, compleet met lange jurk, hoge hakken en een pruik. En laat al die spullen nou toevallig in onze verkleedkoffer zitten!
Ik zeg niet voor niks ‘toevallig’. Want als je mijn moeder ziet, kun je je niet voorstellen dat die spullen echt van haar geweest zijn. En dat ze die nog ooit gedrágen heeft ook! Mijn moeder zweert namelijk bij spijkerbroeken en T-shirts met wijde bloezes. Tegenwoordig tenminste. Je kunt dus wel zeggen dat zij eigenlijk ook van verkleden houdt. Of hield… Net als ik.
Als ik ervoor in de stemming ben tenminste.
Meestal ontstaat die stemming op school. Als we weer eens wat anders moeten verzinnen voor de weeksluiting. Want elke week moppen voordragen en gekke bekken trekken, daar gaat de lol ook wel eens van af. En voor Ome Joop kan iedereen nu wel spelen.
Nee, geef mij dan maar een mooie café-scène, met een halfgekke ober en een klant die de deftige dame lastig valt.
Teus speelt altijd voor ober die zijn lachen niet kan houden. En Niek is niet zo gek of hij wil wel weer eens als de grote versierder optreden. En ik ben dan natuurlijk de dame waar alles om draait.
Heerlijk om de ober voor je te laten rennen, en behaagziek je neus te poederen in een zakspiegeltje, en om de café-bezoekers te laten denken dat je ze nog niet ziet stáán. Alleen die ene man, die er erg rijk uitziet gun je af en toe een glimlach. En die mag je zakdoek oprapen en je thee betalen. Totdat je eigen man binnenkomt. En met hem verlaat je dan schijnheilig het café en het toneel. Kortom: je speelt voor kreng, en je schiet níet in de lach!
*
Zodra ik van het toneel af ben, breek ik ineens m’n nek over die rare hoge schoenen, en zweet ik als een otter onder die warme pruik. Dat komt natuurlijk omdat ik dan uit m’n rol ben. Nou, en dan wil ik die kleren ook meteen uit en opbergen. Om weer gewoon Ma te zijn.
Maar ik voel me toch wel trots als ik de klas dan in koor hoor roepen: Ma’tje, Ma’tje, Ma’tje! Wij willen Ma’tje, Ma’tje, Ma’tje!
Mijn verkleedkleren laat ik meestal op school liggen. Ze moesten nog eens om een herhaling vragen!” – 18 april 1979, Ma B.

Vader en kind
De dichter Gerrit Kouwenaar publiceerde in 2002 bij Querido de bundel ‘totaal witte kamer’, een literair monument voor zijn overleden vrouw Paula. Er staan in die bundel overigens ook gedichten die niet zo rechtstreeks op Paula slaan, al kun je dat bij Kouwenaar moeilijk met zekerheid zeggen.

Gerrit Kouwenaar (1923-2014)
Gerrit Kouwenaar (1923-2014)

In de afdeling ’een glas om te breken’ staat bijvoorbeeld het gedicht a happy childhood. In het vraag- en antwoordspel dat het gedicht is, zijn de vragen van een verbluffende eenvoud. De antwoorden zijn op z’n minst verrassend, beweringen om op te kauwen, niet eenduidig, soms ronduit cryptisch. Maar altijd intrigerend, als manna uit de hemel.
En over de vraag wie de ‘je’ en wie de ‘ik’ in het gedicht is, zou ik wel een prijsvraag uit willen schrijven. Met het oog op de titel, bedoel ik. Om te beginnen ga ik deze vraag maar eens aan mijn eigen kinderen voorleggen.

A HAPPY CHILDHOOD

Vergeet je wel eens je vaders klok op te winden?
ja, ik vergeet wel eens mijn vaders tijd te vergeten

draag je wel eens een strohoed een ooglap een vadermoorder?
nee, ik draag een gedicht op, een zomer van bladgoud

schrijf je wel eens de laatste lippen om te verwoorden?
ja, ik ontcijfer een kus van bemodderde rozen

loop je wel eens door gras dat nodig gemaaid moet?
nee, ik sta stil in gras dat niemand gezaaid heeft –

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *