1984 – Wilt u met mij dansen?

Thélete ná chorepsoeme?
Thélete ná chorépsoeme?

Zondagmorgen na het ontbijt begon ik op de achterkant van een pensioen-envelop, in rap tempo en volkomen ‘uit het hoofd’, onze eerste Griekenlandreis (oktober 1984) in tijdstippen en gebeurtenissen uit te drukken. Ik was verrast en ook wel een beetje trots dat ik gaande het schrijven alles nog bleek te weten.

Vaarwel Columbus
Althans dat dacht ik. Tot ik in de opruimwoede van het moment – er gaan dezer dagen (december 2015) kasten de deur uit, dus nu komen we opbergruimte te kort – in onze oude ‘brandkast’ de doos Griekenland tegenkwam. Ik maak hem open, ligt me daar bovenop een mini-agenda 1984 van de Jeugdbladen Malmberg. Maar in 1984 zit ik toch werkloos thuis omdat mijn jeugdbladenproject naar de gallemiezen geholpen is? Hoezo dus Malmberg Agenda 1984? Stekels, telkens weer. – (Waar die ook alweer vandaan komen, die stekels? Zie: 1983: Alsof het nooit meer lente zou worden / zoveel blad is gevallen. En huiver mee.)

Enfin, ik sla het kleine bruine boekje open en herken in één oogopslag mijn feitenrelaas van drie weken Griekenland, vastgelegd in 98 volgepriegelde agendablaadjes, handschrift 1984. Mooie aanvulling op mijn driekwart gevulde pensioenenvelop, denk ik overmoedig en ’n stevig tikje pedant.

Vaarwel, Columbus - Ook een reisboek
Vaarwel, Columbus – Het avontuur tegemoet

Snel zoek ik even na of de pocketboeken die ik meenam wel genoteerd zijn: Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants, Hersenschimmen van Bernlef en … Maar ik kan ze natuurlijk zo gauw niet vinden. Dat komt vooral omdat het verslag niet mooi chronologisch in de agenda opgeschreven is. Het is een heen- en weer-gepuzzel van jewelste, maar met geduld en tijd natuurlijk allemaal te vinden. – Mijn derde boek blijkt Vaarwel Columbus van Philip Roth te zijn. Dat wist ik niet meer. Evenmin als: Louteringen van Van Oudshoorn (ook een Salamanderpocket)  en Zorba de Griek van Nikos Kazantzakis. Ongelooflijk wat wij allemaal voor geweldigs in dat rugzakje hadden gepropt!

Naar Thessaloniki!
Goed, eerst de grote lijn dan maar even. We reizen per trein en bus (en hier en daar ‘n boot natuurlijk), hebben ieder een simpel rugzakje met een paar verschoningen bij ons, en in een schoudertasje de hotelreservering voor de eerste nacht in Thessaloniki. We gaan door een deel van Griekenland ‘zwerven’, zoeken telkens een onderkomen voor de nacht en rusten hier of daar wat langer uit. Beginpunt is Thessaloniki in het noorden, eindpunt Athene in het middenoosten. Voorts willen we zeker de Meteora bij Kalambaka bezoeken, het Museum van Delphi, Korinthe, en de hele Acropolis uiteraard. – Midden in de vakantie ben ik een paar dagen ziek, ook dat uiteraard.

Als we laat op de avond in München willen overstappen op de nachttrein naar Thessaloniki, belanden we op een perron dat voor eenvierde gevuld is met Griekse mensen, en voor drievierde met tassen, dozen, pakken, grasmaaiers, droogmolens, kinderfietsen. In onze gereserveerde coupé heeft zich al een Grieks echtpaar geïnstalleerd. Ze gaan voor een vakantiebezoek terug naar Thessaloniki. Samen met hun 40 (veertig!) stuks bagage waarvoor ze één zitplaats extra gereserveerd hebben. Gelukkig voor hen hebben wij ieder maar één stuks bagage, zodat het allemaal nét past in die coupé voor zes personen.

Na een paar uur wordt het eerste pakket opengemaakt: eten in schalen voor minimaal vier personen. Wij delen ‘vanzelfsprekend’ in de hardgekookte eieren, de dolma’s en de suzuki’s. En het is maar goed dat we van tevoren geoefend hebben. In Oostenrijk stapt er nog een Joegoslaaf onze coupé binnen. De bagage wordt opnieuw ingedeeld, de rugzakjes houden we nu tussen onze benen op de grond.

Thessaloniki - De Witte Toren
Thèssaloníki – met de Witte Toren

Zodra we de volgende dag tegen de middag Thessaloniki naderen posteert onze Griekse gastvrouw zich breeduit voor het raam. Haar opwinding stijgt met de minuut, en als we tussen de eerste huizen doorrijden roept ze luidt, en met de armen wijd gespreid naar de stad: Thè-salo-ní-ki! Thè-salo-ní-ki! , waarbij ze de è en de í telkens lang aanhoudt. Als ware ze Xenophoon zelve die de zee bereikt met z’n: Tha-lássa! Tha-lássa! – Eindelijk thuis, om er nooit, nee echt nooit meer, vandaan te gaan.

Bussen met kralengordijntjes
Het spoor in Griekenland is in 84 een ondergeschoven kindje, het rijdt voornamelijk langs de kusten, en vooral niet te frequent: de treinreizende toerist is er dan ook een bezienswaardigheid. Beter gaat het met de bussen. Nou ja, beter, het land is vergeven van de particuliere busmaatschappijtjes, die allemaal hun eigen busstation en kaartsysteem hebben. Kom je ergens met de ene bus aan, en wil je verder, zoek dan vooral eerst uit waar die volgende bus staat, hoe laat die vertrekt en hoe je aan een kaartje komt.

Maar dan heb je ook wat, zeker in het noorden: volle volkse bussen met bonte afbeeldingen overal, kralengordijntjes voor de ramen en luide Griekse muziek; alleen maar gezellige ritten dus. Veel mannen hebben ooit in Duitse autofabrieken gewerkt (bij: MAN!) en willen graag Duits met je praten. Dat komt goed uit, want met dat kleine beetje oud-Grieks van een gymnasiast kom je hier niet ver.

Op de Peloponnesos heerst kennelijk meer welvaart, de bussen zijn er luxer, gordijntjes en muziek schitteren door afwezigheid, de passagiers zijn gereserveerder. En het kwaliteitswegdek zoemt en zoeft in eindeloze deining. Water en fruit meenemen is een must, de busafstanden zijn onnederlands groot. – Mij bevallen die busreizen wel.

Het bloed van heilige hoofden
Vanuit Kalambaka bezoeken wij de Meteorakloosters die op het toppunt van ooit onderzeese rotspieken gebouwd zijn.  Oorspronkelijk uitsluitend via ophaalmanden te bereiken. Het is alles bij elkaar nogal een heilig gebeuren, dus dames zonder rok en heren in korte broek komen er niet in.

Meteoraklooster bij Kalambaka
Meteoraklooster bij Kalambaka

In het klooster zelf is ieder plekje plafond en muur benut om spectaculaire heiligenlevens uit te beelden, het bloed van de afgehakte hoofden en ledematen spat overal vandaan, en Sint zelf is immer en onder alle omstandigheden herkenbaar aan het aureool om zijn hoofd. Je kunt niet anders dan van dit geweld onder de indruk geraken, samen met al die andere toeristen uit de bussen goed publiek die hier af en aan rijden.

Mèmezzè
Omdat mijn alderliefste veel hinder van de zon ondervindt sinds haar recente netvliesoperaties, is een zonnebril een van onze eerste aankopen. En vooruit, ook korte broeken kopen we omdat het voor begin oktober wel erg warm is, zo’n 30 graden. Korte broeken, nee die hadden wij niet in het kleine rugzakje gestopt, omdat wij dat in Nederland niet hadden kunnen bedenken. Maar wel in het Griekenland van 1984 hoor! Alle dagen terrasweer, ouzo of retsina met (mè)-mezzè tegen vieren, en ’s avonds hele vitrines vol kant-en-klare gerechten in de restaurantkeukens waar je vrijelijk in kunt lopen om je keuze te maken. En dan alles binnen vijf minuten op tafel, he! Lauwwarm, dat wel, maar dat hoort hier zo. – Effe wennen.

Eten in Griekenland kun je overal
Eten kun je in Griekenland overal

Heel lekker aten we overigens vooral in de kafeinions, een soort plastic snackbars zonder poespas: souvlaki met friet, en Griekse salades met echte tomaten en fèta, onovertroffen heerlijk. Maar volkomen verschillend van de Griekse-restaurantgerechten die we in Nederland als voorbereiding op onze reis (en voor het eerst van ons leven) waren wezen proeven. Te weinig sprekende olijfolie, te softe oregano, te Hollands vlees, slappe salades. Aldus een  ervaringsdeskundige na drie weken.

De kroon op de Griekse keuken was trouwens de souvlaki die we op de terugweg bij de grens met Joegoslavië via het treinraampje kochten: die ‘raamsouvlaki’ is bij ons spreekwoordelijk geworden voor de allerlekkerste hartigheid die een mens maar kan overkomen: ‘Weetjenog, die souvlaki in de terugtrein? ’n Heel klein beetje zout misschien, maar lekker!’

Een stoet aan kortstondigheden
En zo bussen en varen we maar verder: Delphi, (Anti)-Rio, het noordelijke stuk van de Peloponnesos, Nafplio, Korinthe, Poros, Athene. Elke halte goed voor een eigen verhaal, een nieuwe ervaring. Maar je moet door he. Ook achteraf ben ik nog steeds verbaasd over deze gewaagde trektocht door de bakermat van onze beschaving, over het door de omstandigheden afgedwongen lef, de stoet aan ervaringen en kortstondige contacten, kortom het hele verloop van onze reis.

Acropolis in Athene, toppunt van het verleden
Acropolis in Athene, toppunt van het verleden

Een reiziger van de bonnefooi ben ik helemaal niet (toen niet, en tegenwoordig al helemaal niet meer), maar ik kon er kennelijk wel toe overgehaald worden. Dat komt door mijn alderliefste, die van nature meer van het avontuur is, die zich graag door het onbekende laat verrassen, die kortom de uitdaging zoekt van ‘we zullen wel zien’. En die mij daar gelukkig in mee weet te nemen.
Achteraf ben ik haar altijd dankbaar (geweest) voor haar initiatieven en enthousiasmerende vooronderstellingen. Maar zolang ik er nog vóór sta, heb ik de kriebels, en soms wel meer dan dat.

Voorbereidende werkzaamheden
Die kriebels in het voorstadium kun je het beste bestrijden met een degelijke voorbereiding. Zo kocht ik ruim voor september 1984 het boekje Wat & Hoe – Grieks. En daarin ging ik de voornaamste voorbeeldwoorden en zinnen te lijf, leerde de fonetische uitspraak, en dat alles hardop voor wie het maar horen wilde. Natuurlijk komt er in de praktijk maar weinig terecht van al dat gezwoeg, dat geeft niet omdat je jezelf door dat gedoe wat zelfvertrouwen bezorgd hebt, tot in het absurde aan toe.

Hoe zeg ik het in het Grieks?
Hoe zeg ik het in het Grieks?

Zo leerde ik op p. 45 van mijn boekje, onder het kopje ‘Uitgaan’ de volgende wervende zin van buiten: Thélete ná chorépsoeme? Betekenis: Wilt u met mij dansen? En hoewel het er in de realiteit van de reis nooit van gekomen is, valt onze hele tocht tot op de dag van vandaag met dat ene zinnetje samen: Wilt u met mij dansen? – En soms komt het er dan tóch nog van, thuis.

Andra moi ennepe, Mousa, polutropon hos mala polla
Het is natuurlijk niet mogelijk om een reis van drie weken Griekenland in één (lang uitgevallen) Balthasarsblog recht te doen. Bovenstaande tekst doet daar ook geen poging toe, het zijn slechts een paar herinneringen die steeds komen bovendrijven als ik aan die tijd denk.
Het is eigenlijk net zoiets als het citeren van de eerste 10 Griekse versregels van de Odysseia, die wij vroeger op school van buiten moesten leren. Had je me destijds gevraagd om die verzen en ook de rest van dat ‘boek’ even in het Nederlands te vertellen voor de niet-gymnasiasten onder ons, dan had ik me waarschijnlijk ook geen raad geweten.

Het prachtboek van Imme Dros
Het prachtboek van Imme Dros

Maar gelukkig zijn daar mensen als Imme Dros die het aangedurfd hebben om het hele relaas van Odysseus’ omzwervingen en avonturen in een voortreffelijke Nederlandse vertaling om te zetten. Daaruit citeer ik nu graag de eerste 10 versregels die in het Grieks beginnen met het kopje boven deze paragraaf (leuk om van buiten te leren, toch?).
De reizen van Odysseus, van Imme Dros, is een uitgave van Atheneum- Polak & Van Gennep, Amsterdam 1995.

ODYSSEIA – BOEK I

Zing van de man van de duizend listen, Muze, die zoveel
rondzwierf, nadat hij de heilige stad van Troje verwoest had,
die van veel mensen zag hoe ze woonden en wist hoe ze dachten,
die veel ellende kreeg te verduren op zee, terwijl hij
vocht voor zijn leven en voor de thuiskomst van zijn vrienden.
Toch kon hij zijn vrienden niet redden, hoe graag hij ook wilde.
Want ze groeven hun eigen graf, ze waren zo gek om
koeien van Helios Hyperionszoon op te eten.
Die ontnam hun de dag van de thuiskomst. Zing de verhalen
ook voor ons, Muze, dochter van Zeus en begin maar ergens…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *