2000 – ‘Hij is gezien… hij is niet onopgemerkt gebleven’

Daag!
Dagdag!

“De belofte was gauw gedaan, lieve dochter Mi, haar inlossen schier onmogelijk. Geen wonder dus dat ik er bijna 16 jaar over gedaan heb. Maar hier is het dan toch: een kort verslag van mijn afscheid als werknemer in de educatieve uitgeverij, kostwinner, collega – op woensdag 6 december 2000, precies een maand voor mijn 61e verjaardag, de datum waarop ik ‘vanaf heden met VUT’ achter mijn naam mocht schrijven.

“Grappig eigenlijk als je (ik) met zoveel pompa wordt uitgeluid door je laatst verworven collega’s, mensen die je (ik) toch maar betrekkelijk kort gekend en meegemaakt hebt. Niet alleen grappig was dat trouwens, het was vooral verwonderlijk om niet te zeggen overdonderend, zo veelomvattend, zo ontroerend, invoelend en zo hoogstaand als mijn collega’s uit Groningen en Houten mijn afscheid in Zwolle aangericht hadden. – ‘Wat een niveau! Wat een niveau!’ stamelde oud-collega Boudewijn S. op het allerlaatste eindje, en in zijn dubbele handdruk voelde ik hoe geroerd hij was.

“Ook daarom is het achteraf nog steeds bijzonder spijtig, Mi, dat jij door migraine geveld dit feestje hebt moeten missen. Het is zo’n beetje het enige blanco stipje in mijn krijtstreep onder 41 werkjaren, waarvan 39 in de educatieve uitgeverij, waarvan de laatste twee in Groningen bij de WN-ontdekkingstocht Vespucci, het eerste alomvattende digitale project voor het hoger onderwijs. ‘Een eindsprint tegen de berg op,’ heb ik dat eerder genoemd, rustig freewheelen naar een nieuwe levensfase was er niet bij. Nog ‘n meevaller dat ik toen ‘goede benen’ had, althans volgens mijn Vespucci-ploeggenoten.

“En tot mijn geluk waren mijn alderliefste en zoon Ma op de top om me te stutten tegen het al te heftige geweld van de loftuiting en de weemoed. Niettemin heb ik er zeker drie dagen over gedaan om weer bij zinnen en mijn positieven te komen. Daarna heb ik twee weken al mijn tijd besteed aan inhoudelijke bedankbrieven en ongebreidelde complimenten voor al die mensen die mij lang- of kortstondig op een voetstuk geheven hadden, zodat ik na die weken weer gewoon met twee benen in het dal kon staan om (als eens Kabouter Pim) de VUT-wereld van de Gouden Jaren te gaan verkennen.

“Het is nogal bijzonder, Mi, als je afscheid vergezeld gaat van een Liber Amicorum (‘vriendenboek’), het is onwaarschijnlijk bijzonder als je een Capsa Amicorum aangeboden krijgt (‘capsa = bus of doos voor boekrollen’ volgens mijn Latijns-Nederlands woordenboek uit 1954). Een hele box unieke vrienden-bijdragen, waaronder werkelijk goede gedichten, handgeschreven laudatio’s, cd’s met eigen muziek of films, kunstschilderingen, uitgesproken toespraken, uitgelezen boeken, een collega’s-bon van 600 gulden voor de aanschaf van een trekzak, een met de verborgen camera geschoten  documentaire over mijn laatste dagen in Groningen (‘Balthasar, the movie’), een ‘in kunstleder gebonden’ gastenboek met op p. 8 als mooiste quote de bijdrage van zoon Ma: ‘B., the best there is’. – Van al die boxbijdragen kies ik een citaat uit het handgeschreven briefje met foto van buitendienstmedewerker Nino A. dat me ook na 16 jaar nog ontroert: ‘Waarom een foto? Niet omdat ik trots ben op die kop van mij! Maar wellicht dat jij over tien jaar nog eens deze box bekijkt, en dat je dan denkt: oja, dat is die jongen.’ – En zo is het precies gegaan.

“Gelukkig werden wij laat op de avond door onze vriend Bart van S. met de auto van Zwolle naar Den Bosch getaxied, anders was ik nu nóg bezig geweest om al die kostbaarheden vanuit Zwolle naar huis te krijgen.

Balthasars laatste trein naar Groningen...
M’n laatste werktrein naar Groningen…

“Uiteraard werd ‘The movie’ op groot doek uitgeserveerd, en ik moet zeggen: ‘Ik wist niet dat ik het in me had.’ Maar ik blijk best naturel over te kunnen komen, als ik maar van niets weet. Ze bleken me vanaf Den Bosch met de trein gevolgd te hebben, werkhouding in de trein, landerige overstap in Zwolle (koffie toe), spurt in Groningen van NS-trein naar Q-bus, gezwinde stap met het oog op de pols van bus naar Vespucci-werkplaats ‘De Werf’, overlegcircuits, bilateraaltjes, intrigerend geheime gesprekken bij de koffieautomaat. – Niks bijzonders allemaal, maar niet heus. Het was geweldig! Vooral ook het voice-overcommentaar waarin min of meer bekende uitspraken van mij verwerkt waren (over vergaderingen en afspraken: ‘Alles gaat altijd door’; over het eeuwige dilemma tussen tijd en kwaliteit: ‘Wat niet fout is, is goed’; en meer van die verkapte dwingelandijen).

“Enige weken voor mijn afscheid hadden twee prominente collega’s van het Werf-magazine mij een interview afgenomen, waarin ze uiteraard geprobeerd hadden om mij allerlei ‘uitspraken’ te ontlokken. Ik had er geen kwaad in gezien, en volle medewerking verleend. Komen ze op de avond in Zwolle ineens op de proppen met een groots aangeklede Wie-Kent-B.-Kwis waar de hele zaal aan meedoet: ‘B’s favoriete dichter is: A. Gerrit Achterberg, B. Gerrit Kouwenaar, C. Gerrit Komrij, D. Ida Gerhardt?’ / film / boek / muziek / toneel / krant . – Confronterend hoor, om zo je voorkeuren verabsoluteerd te zien. Enfin, vormgever Jan Brands won de kwis op goed geluk, en deed mij het prijswinnende boek ‘Het Oetel-vertelboek’ cadeau. Op de foto die van dit moment gemaakt is, kijk ik nogal verbluft. Tja, die Jan, echt een carnavalsfiguur, maar of die mij nou het beste kent?

“Het feestje in ‘Het Oude Wijnhuis’ aan het Grote Kerkplein hartje Zwolle werd georganiseerd, uitstekend georganiseerd, door mijn collega Sjia C. met wie wij ook in 2016 nog steeds uitstekende contacten hebben. In de gekozen locatie passen ongeveer 70 mensen, mijn oorspronkelijke lijst van genodigden telde er 120. Tot mijn grote spijt moest ik dus een flink deel van de gewenste namen schrappen. Dat was  een ernstig minpunt, maar het lag wel dichter bij het toegestane budget. Ik moest het er mee doen. Veel van de niet-genodigden heb ik schriftelijk laten weten hoe de vork aan de steel stak. Ze verleenden me in groten getale absolutie, en lieten me dat in waarderende woorden weten. Ik neem nu nog en opnieuw mijn hoed diep voor ze af. – Enfin, door Sjia liep alles op rolletjes, en kreeg ik tien minuten spreektijd aan het einde van de herdenkingsavond toebedeeld. Ik beloofde haar dat mijn afscheidsrede geen obligaat bedankje zou worden, misschien zelfs wel voor een kleine inslag zou zorgen. En zo geschiedde (of althans zo percipieerde ik dat).

Ja en amen zeggen, heette mijn dankwoord (drie volle A4’tjes). Een synopsis in 10 hoofdstukjes van mijn sleutelroman-in-wording die ‘Het kantoor’ zal gaan heten. Een schaamteloos me too-product, geënt op het grote Voskuil-succes ’Het Bureau’. Het begint allemaal op 5 februari 1962 op de toonzaal van uitgeverij Malmberg in Den Bosch, en het eindigt op 4 december 2000 in de benarde Vespucci-dependance van Uitgeverij Wolters-Noordhoff in Groningen. En, ik citeer mijn eigen inleiding, ‘in al die periodes heeft Jaap van Dolen – op de voorgrond of tussen de coulissen – zijn rol gespeeld. Net als de kansel, het menselijk tekort en de lach van Bianca Casta Fiore.’ – Ik heb jou, Mi, enige tijd geleden die hele tekst nog toegestuurd, waarvan jij me verzekerde dat het uiteindelijke boek beslist uitgegeven zou worden, en dat je hele goede contacten had en hebt met ene Van Oorschot, het zal en het moet ervan komen. Maar… dat boek over ‘Mijn uitgeverijen tussen 1962 en 2000’ heb ik anno 2016 nog steeds niet geschreven, en ik geloof ook niet dat het er nog van komt. So be it.

“Alle voordrachten en praatjes op deze mijn afscheidsavond waren een succes, het mijne dus ook. De voorintekeningen op mijn aangekondigde boek stroomden binnen, er was nog een laatste glas, en toen moest ‘mijn avond’ afgesloten worden. Tenslotte was Zwolle een compromis-stad, mensen moesten nog terug naar Den Bosch, Den Haag, Groningen, Amsterdam en allerlei andere woonstedes. De organisatie zette opnieuw mijn Kwis-favoriete muziek van de Comedian Harmonists op, met het nummer: Lebe wohl, gute Reise. / Und denk an mich zurück. Van emotie en weemoed kon ik mijn tranen niet langer bedwingen. Het speet me niet, het spijt me niet.

“Nog eenmaal nam ik afscheid van al die nu oud-collega’s en vrienden, en dat was dan dat. Met een nog selecter gezelschap van zestien mensen togen wij naar Restaurant De Vier Azen voor het finale afscheidsdiner in kleine kring. Deze toegift was een bonus van Vespucci-voorman Vincent D., die daarmee zijn ‘persoonlijke dank voor bewezen diensten’ aan mijn alderliefste en mij wilde uitdrukken. Leuk hoor, zo’n extra bonusje in allerkleinste kring. – Dat lekkere etentje heb jij dus ook nog gemist, lieve Mi. Maar dat kunnen we misschien nog ‘s overdoen, zij het dan in nóg selecter gezelschap, en 16 jaar na dato.

Nou, tabee dan!
En… CUT!

“Oja, Mi, de titel van dit verslagje nog even. Die heb ik natuurlijk ontleend aan de beroemdste slotzin van de Nederlandse naoorlogse literatuur. ‘De Avonden’ van G.K. van het Reve eindigt aldus: “Hij zoog de borst vol adem en stapte in bed. ‘Het is gezien,’ mompelde hij, ‘het is niet onopgemerkt gebleven.’ Hij strekte zich uit en viel in een diepe slaap.” – Ik had dit citaat al eerder gebruikt, en wel voor mijn Ex Libris dat door oud-collega Isabel van Z. zo wonderschoon vormgegeven werd: ‘Het is gezien… het is niet onopgemerkt gebleven.’ – Meer kan een mens zich niet wensen, dunkt me.”

 

 

3 gedachten over “2000 – ‘Hij is gezien… hij is niet onopgemerkt gebleven’”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *