2002 – Kippenvel. Tranen. Gelach.

Geheugenprofessor Douwe Draaisma heeft een nieuw boek uit: ‘Als mijn geheugen me niet bedriegt’ (Groningen, 2016). Het gaat erover – heb ik in de krant gelezen – hoe mensen hun herinneringen vervormen in het licht van nieuwe gebeurtenissen.

Als mijn geheugen...
Als mijn geheugen…

Dat boek moet ik lezen, dacht ik meteen, want bij elk jaar dat ik in deze Balthasarsblog beschrijf worstel ik met de vraag: was dat echt wel zo, of maak ik het nu ’n beetje mooier/lelijker/groter/kleiner? En allemaal onbewust natuurlijk, maar toch. Of is ook dat nog maar de vraag?

Alles wat je tot een verhaal maakt, stileer je en groepeer je tot logica. Zó heeft het natuurlijk niet letterlijk plaats gevonden. Maar of het daardoor ook maar een sikkepit onwaarder geworden is? Dat geloof ik niet, tenzij je natuurlijk fictieve bijbedoelingen hebt. – De enkele herinnering aan mijn broers Koos en Martien, zoals ik die hieronder opschrijf, zijn waarachtig en eerlijk bedoeld, ik groet hen zeer. Maak ik van die enkele herinnering een boek vol herinneringen, dan wordt hun verhaal ongetwijfeld anders. Ondanks dat mijn bedoelingen dezelfde zijn. Kortom: hét verhaal, van wie, over wie dan ook, dat bestaat niet. De Balthasarsblog is en blijft een momentopname.

Gulden sporen.
Voorbeeld van de ‘Gulden sporen’.

Kortrijk, 1302
Oja, deze keer gaan we eerst even naar ‘buiten’ voor we naar ‘binnen’ gaan in 2002, voor de broodnodige ‘link’ zeg maar. – Op het Groeningheslagveld van Kortrijk vindt op woensdag 11 juli 1302 de Guldensporenslag plaats: boogschutters en piekeniers van het Graafschap Vlaanderen verslaan daar het eliteleger van de koning van Frankrijk. Het is de slag van de volkse beenhouwers en lakenververs versus de verzamelde Franse ridders te paard. In de loop van de eeuwen en dankzij romantische schrijvers als Hendrik Conscience (‘De leeuw van Vlaanderen’) verliezen de geharnaste ridders meer dan hun gouden sporen op het slagveld: alle sympathie van de historische toeschouwers komt van lieverlede bij de primitieve Vlaamse boeren en burgers te liggen, het begrip ‘elite’ is na 1302 zijn maliënkolderglans volledig kwijt.

'Wen er alvast maar aan...'
‘Wen er alvast maar aan…’

Den Haag, 2002
700 jaar later, we zijn inmiddels in het jaar 2002 beland, valt het Tweede Paarse kabinet Kok over de tragische kwestie Srebrenica, en het ontluisterende rapport van het NIOD hierover. Aan een periode van ongekende economische ontwikkeling (ons huis bij voorbeeld is in die paarse periode zo’n beetje 4,5 x over de kop gegaan) komt op democratische maar hardhandige wijze een einde. De gelegenheidspoliticus Pim Fortuyn herschrijft de recente geschiedenis in ‘De puinhopen van acht jaar Paars’, en weet met zijn populistische protest hele volksstammen beroepsontevredenen als kiezers te mobiliseren (‘Wen er alvast maar aan: Ik word de nieuwe minister-president van dit land.’). Vlak voor zijn politieke partij, de LPF, ‘uit het niets’ met 26 zetels de Tweede Kamer binnen marcheert, wordt Fortuyn door die andere ‘protestant’ Volkert van der Graaf op het Hilversumse Mediapark vermoord. De ridders van de gevestigde partijen liggen uitgeteld op het slagveld, de eendimensionale piekeniers Herben, Heinzbroek en de zelfbenoemde lolbroek Nawijn vormen de nieuwe macht die… zichzelf binnen enkele maanden (jaja, het is nog steeds 2002) wegens beschamende incompetentie ten val brengt. Ook de keerzijde van het begrip elite faalt aldus, en gaat aan interne twist en gelegenheidsdenken ten onder.

Kortom, wie in politieke geschiedenis geïnteresseerd is, boort met het jaar  2002 een goudader aan. Mij lijkt het voor dit jaar wel genoeg politiek zo. (En dan moet straks  Wilders ook nog komen, hoeveel opportunisme en misleiding kan een mens verdragen?) – Over nu naar de geschiedenis van onze eigen vierkante meter, zonder gulden sporen of vermeende elites, maar mét de grilligheden van een familiehistorie.

Nog eens. En nog eens.
Nog eens. En nog eens…

Den Bosch, 2002
Terwijl mijn alderliefste en ik in Eefde maandenlang tussen de steigers bivakkeren om ons nieuwe huis ‘bij de tijd’ te brengen, slaat andermaal en nogmaals de familiedood toe, die niet te negeren aanzegger die steeds zijn eigen tijd en methode kiest, zonder ooit te keren. Het lijkt wel of hij een voorkeur voor grote gezinnen heeft, dat ie het leuk vindt om z’n hele arsenaal aan technieken en tactieken bij het decimeren in stelling te brengen. Wat kan een eenvoudig familielid daar tegenover stellen? Verdriet, schuwheid, woede en gelatenheid. En later, bij de afsluitende koffietafel, verbroedering en hechting met wie achterblijven. En leegte, steeds meer leegte. Je koestert je herinneringen, jazeker, harde bewijzen van gezamenlijke levendigheid, stukjes geleefd leven, de inhoud van ‘eens’, de ‘s’ van mens, is, was. – En nog eens. En nog eens. En nog eens.

Broer Koos en broer Martien houden in 2002 op met leven, noodgedwongen, uitgeteld, op. Minder om wie ze uiteindelijk geworden zijn, treur ik om wie ze geweest zijn, toen wij nog jong waren, in één huis tot één gezin behoorden, op elkaars lip zaten, alle dagen aan één tafel zaten, in één bed sliepen, letterlijk alle lief en leed deelden.  Zodra je dat ouderlijk huis verlaat, neemt vervreemding een aanvang, word je stukje bij beetje minder broer, zus, gezinslid, kind, en kunnen anderen je nader worden. Later trekt dat soms weer bij, soms ook niet, alles kan, zo is het leven.

De Prekerspoort in Den Bosch.
Repetitieruimte in de Prekerspoort, Den Bosch.

Koos (1929-2002)
Koos reed mij achterop zijn fiets naar m’n eerste repetitie van het Koor van de Sint-Jan (de destijds beroemde Schola Cantorum), toen ik hevig terugschrok en niet meer durfde. Hij bracht me naar binnen in de Prekerspoort, bemoedigde mijn eerste kennismaking met juffrouw Van der Donk en meneer Van Amelsvoort, en wachtte buiten met zijn fiets tot ik klaar was. – (Dat ging ongeveer zoals in het You Tube-filmpje hieronder, en toch anders, het was 1946 he!)

Daarna durfde ik alles alleen, dacht gewoon aan die eerste keer met Koos, en hoppa, alles kwam goed. Ik was krap zes, Koos wel zeventien, mijn grote broer.

Zulke dingen blijven je bij al word je honderd en is het contact nadien op een lager pitje komen te staan. En telkens als ik bij zus Lisa zijn foto in het zilveren lijstje op haar telefoontafeltje zie staan, denk ik even aan de Prekerspoort en hoe Koos me dat eerste zetje heeft gegeven. Tien jaar ruim heb ik met plezier bij dat Koor van de Sint-Jan gezongen, toen was ik zelf zeventien. Met dank aan Koos, grote broer van 1946.

Jarenlang z'n lievelingsmateriaal.
Jarenlang Martien’s basismateriaal.

Martien (1944-2002)
De hevigste herinnering aan broer Martien is tevens de laatste herinnering aan Martien: de uitvaart van ons 58-jarige mongooltje met een dijk van een syndroom van Down, een kind in oude vellen. Zijn begrafenis was een happening van Fellini-achtige allure: al zijn tehuisgenoten (en begeleiders) waren op geheel eigen wijze aanwezig tijdens de katholieke eredienst: lopend, kruipend, geholpen, ontsnapt, onbeholpen, smakkend, kwakend, vliegend, trommelend, in de arm, uit de arm, intens betrokken, jazeker, in een woord of twee: zij waren zichzelf en waardig. Martien z’n beste huisvriend G. zat in een rolstoel prominent voorin de kerk, en voltrok continu en luidop de mantra: ‘Martien dood! Martien Dood!’ – Kippenvel. Tranen. Gelach.

De kerk als dolhuis, maar ook als ‘Home, Sweet Home’, waar de Spaanse Semana Santa nog een puntje aan kan zuigen. Een afscheid hoeft niet droevig te zijn, soms. Martien zijn afscheid leek – Halleluja! – wel Pasen, met een vleugje carnaval.

Totaal witte kamer.
Totaal witte kamer.

Tijdrekken
Na de dood van zijn geliefde Paula schreef de dichter Gerrit Kouwenaar (1923-2014) de bundel ‘totaal witte kamer’ (Querido, Amsterdam 2002). Een virtuoze poging om ‘tijd te rekken’, niet bedoeld als ‘troost’. Want: ‘Als je daarnaar op zoek bent moet je maar naar de kerk gaan, naar een dominee, niet naar een dichter, denk ik. /  Dichten is vooral een kwestie van maken. Het doel van de kunst is iets uit de tijd te trekken, even stil te zetten wat nog stil blijft staan als jij weer weg bent.’ – Herdenkingsartikel in Het Parool, 4/9/2014.

Met onderstaand titelgedicht ‘totaal witte kamer’ is Kouwenaar daar zeker in geslaagd, hij heeft zich samen met Paula ‘even uit de tijd getrokken’, ‘stilgezet’, en ze staan er nog steeds, ook al zijn ze nu allebei dood. Het gekke is dat dit gedicht mij onbedoeld juist wel troost, het voert me telkens terug naar degenen die me ontvallen zijn, het neemt het verdriet niet weg maar het geeft je nog even respijt, nog een laatste moment samen, een eeuwige herinnering. Paula is net zo goed Koos, is net zo goed Martien, is net zo goed al die doden waar ik in deze Biografie in Jaartallen al een Requiem voor gezongen heb. ‘Dit zal geen tijd sparen,’ nee, dat zal het niet, maar het zet wel even de herinnering stil in deze finale groet aan Koos en Martien. Zoals ik eerder al zei: ik groet hen zeer.

TOTAAL WITTE KAMER

Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken
nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal
de kamer wit maken, nu, nooit meer later

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten
alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale
zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven
witter dan, samen –

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *