2006 – Klassiek gevalletje angina pectoris

AP: je houdt je hart vast!
AP: je houdt je hart vast!

Met de wetenschap van nu – en dat is op het moment van schrijven 11 en 13 november 2016 – is het lastig om ongedwongen te verhalen over het ontregelende ongemak van juni 2006.

Het onheil dat Huize Balthasar in de tweede helft van 2016 lijkt te bedreigen is namelijk nogal prangend van aard, het duwt vroegere ongesteldheden hardhandig aan de kant, ook al moet het zelf nog tien autobiografiejaren wachten voor het aan bod kan komen. Zodoende kijk ik er niet vreemd van op dat ik m’n hartproblemen van 2006 nogal laconiek benader en beschrijf. ‘Situationeel’ heet zo’n benadering, ‘in het licht van de omstandigheden’, en is in feite niks bijzonders, zeker niet in de Balthasarsblog waarin ik vaker diverse tijden door elkaar laat lopen.

Onderzoek
‘Het is geregeld,’ belt huisarts S. me in de middag van maandag 5 juni terug. ‘Ik heb u met spoed op de operatielijst kunnen krijgen. Morgen om 12.00 uur wordt u in het ziekenhuis verwacht.’  – Ik ben opgelucht dat er zo snel plaats blijkt te zijn, en loop daarna rustig, opgelegd rustig, naar boven om m’n ziekenhuiskoffertje in te pakken. Mijn alderliefste zal nog een extra pyjama voor me bijkopen, ‘om er netjes bij te liggen’. Ik slaap die nacht onrustig, dat hoort er nou eenmaal bij, bij mij.

Ik had meer een Hawaii nachthemd op het oog...
Ik had meer een Hawaiiaans Nachthemd op het oog…

Ruim op tijd melden wij ons  aan de balie van het Lucasziekenhuis in Apeldoorn. Waar ze van geen afspraak met de heer B. uit Eefde, 06011940, weten. Ik krijg de gelegenheid om ‘mijn geval’ uit te leggen aan de afdeling ‘Opname’. Daar bellen ze meteen met ‘Zutphen’, en lossen ze de zaak op. Ik had me om 12 uur bij de afdeling ‘Eerste Hulp’ in het Zutphense Ziekenhuis moeten melden, daar word ik immers opgenomen en verpleegd. Alleen de operatie zal in Apeldoorn plaatshebben, zo doen de Gezamenlijke Gelre Ziekenhuizen dat nou eenmaal. Dat ik dat niet wist! –  Stom van me, maar alla.

We reizen met de eerste de beste bus, trein en bus naar het ziekenhuis in Zutpen, waar ‘ze’ verontwaardigd zijn dat ze me in ‘Apeldoorn’ zo maar hebben laten gaan. Ze hadden me – potentiële hartpatiënt immers – met de ziekenwagen naar Zutphen moeten brengen. ‘Onverantwoord is het, wat er met u gebeurd is.’
Intussen word ik aan alle kanten door de cardioloog van dienst bevraagd, beklopt, gefilmd en gekeurd. Aan allerlei slangen en infusen dien ik de volgende dag af te wachten op de Intensive Care. Ik krijg op verzoek een verlate boterham en een pompflesje Nitrolingual tegen aanvallen van hartzeer. Van slapen komt natuurlijk niks, met al die polonaise aan m’n lijf.
De volgende ochtend vroeg al word ik ontmanteld en afgepeld, waarna ze me installeren op de afdeling cardiologie, waar ik geplaatst ben op kamer A-4 tussen drie andere hartklagers.

Spray voor onder de tong.
Spray voor onder de tong.

Kijkoperatie
Op dag drie moet ik in de badkamer schaam- en bovenbeenhaar wegscheren, beide benen ja, en ‘ik kom zo meteen even controleren of het goed is’. Het is niet goed, het moet beter, en het is maar net op tijd goed genoeg voor de tweemans ambulancedienst me komt inpakken en op de brancard vastbindt. Ze rijden me zo de ziekenwagen in en brengen me van Zutphen naar Apeldoorn, Lucasziekenhuis, Afdeling Opname.
Daar word ik weer uitgepakt en krijg ik op een slaapzaal een bed toegewezen voor één nacht. De volgende dag zal dokter V. een kijkoperatie via de lies uitvoeren, om te zien waar die aanhoudende angina pectoris (felle pijn op de borst met uitstraling naar de armen) vandaan komt. – Van de spanning is de slaap ook deze nacht de voorspelbare afwezige. Na ja.

Ziet u de camera dartelen, meneer B.?
Ziet u de camera dartelen, meneer B.?

‘U kunt meekijken op de monitor, meneer B. Ziet u de camera links door de kransslagader dartelen?’ – Maar m’n uitzicht is beperkt, zo liggend zonder bril, en de kransslagader een ondoordringbaar oerwoud van hoofd-en bijstroompjes waar een camera samen met mij wel in moet verdwalen. Ik geef me over, en ben verbaasd als de chirurg ‘even later’ alweer uitgekeken is. De slagaderlijke snee in m’n lies wordt straf afgebonden en van zandzakken voorzien. Ik mag het rechterbeen gedurende 24 uur niet buigen of bewegen. ‘En morgen kom ik de uitslag dan met u bespreken.’
En daar ga ik weer, inpakken en wegwezen met de ambulance naar m’n Zutphense verpleegadres. De twee ritjes met de ziekenwagen worden me later onder de verzekeringsneus gewreven als een rekening à 750,00 euro per rit, honderd keer zo duur als mijn eigen bus-, trein- en bus-kosten tussen Zutphen en Apeldoorn. Maar ja, dat goedkope reisje was dan ook ‘levensgevaarlijk’ geweest en ‘onverantwoord’. En wordt niet vergoed.

Van een verstopte kransslagader kun je het knap benauwd krijgen.
Van een verstopte kransslagader kun je het knap benauwd krijgen.

Uitslag
Op dag 5 komt dokter V. samen met de hoofdverpleegkundige en zijn rijdende administratie de afdeling cardio binnengewaaid. Zonder operatietenue herken ik ‘m amper, maar dat soort denken geeft geen pas nu. De kamergenoten krijgen slechte berichten in de vorm van twee of meer ‘omleidingen’, bij mij valt het mee. De uiteinden van de kransslagaders zitten verstopt, waardoor de bloedtoevoer naar het hart gehinderd wordt, en dat leidt dan weer tot die pijnklachten, de angina pectoris. Opereren is geen optie omdat de uiteinden geen eenduidige aders meer zijn, maar een delta aan samenhangende stroompjes. ‘Dat wordt uw leven lang pillen slikken, meneer B.’
Die pillen houden de aderen open zodat m’n hart voldoende zuurstof krijgt. Bètablokkers dus, en bloedverdunners, en bloeddrukregelaars, en cholesterolremmers. Elke dag 6 pilletjes, en dan zal het waratje wel weer gaan, denkt dokter V. En ’n vetarm dieet natuurlijk, maar dat bespreekt u met de diëtiste. En over ’n halfjaar terugkomen. – Ik vraag me enigszins bibberend af of die pilletjes hun werk wel naar behoren zullen doen. Maandag naar huis, de achtste dag, hartpatiënt.

'Probeert u steeds hetzelfde tempo aan te houden.'
‘Probeert u steeds hetzelfde tempo aan te houden.’

Leven met AP
Het duurt alles bij elkaar een paar maanden voordat de verschillende medicaties goed ‘ingesteld’ zijn, het luistert nauw, het maakt me onzeker en ook wel ’n beetje bevreesd: wat als ik ’n pil vergeet, wat als ik iets te vets eet, heb ik me niet overmatig ingespannen, voel ik toch weer iets?
Daarvoor zijn de halfjaarlijkse controles goed en geruststellend. De fietstests haal ik op m’n sloffen, de hartfilmpjes zijn meestal prima, gezien de hoogte van de bloeddruk moet de dosering iets hoger, we kunnen wel overstappen naar controle om het jaar. Enige tijd later word ik ‘betrapt’ op een vorm van hartritmestoornis die op de monitor demonstreert dat m’n hart af en toe tussensprintjes maakt. ‘Daar merkt u wel wat van, maar kwaad kan het niet.’

[ De beste remedie, ook tegen hartklachten? Mooi blijven wandelen. Bij voorbeeld op de Posbank bij Rheden… ]

Na 7 jaar gaat de controle door de cardioloog terug naar de huisarts, die binnen ’n halfjaar al de dosering van de bètablokkers moet aanpassen wegens dáling van de bloeddruk, ik voel me enige tijd belabberd, maar dat gaat weer over. En sindsdien kabbelt het maar voort, elke dag 6 pilletjes, en controle alleen bij klachten. De apotheek verstrekt mij telkens een voorraad medicijnen voor 3 maanden, wisselt om de haverklap van merk en verpakking, maar claimt hoe dan ook een hele huishoudplank voor medicijnenbeheer. In de originele verpakking, dat moet.
Meer stelt het sinds enige tijd niet meer voor. ‘Oja, en als de tandarts een kies moet trekken, vergeet u dan vooral niet om een week tevoren te stoppen met de bloedverdunners, u begrijpt wel waarom.’ Toen ik daar ’n keer niet aan gedacht had, dat van die bloedverdunners, bloedde ik m’n hele zomerbroek onder toen de huisarts een zweertje op m’n bil weg had moeten snijden. De tip ‘leg de broek enige tijd in koud water zonder iets erbij, dus ook geen zout’ was de beste huisartsassistententip die ik ooit gehad heb. Geen bloedspatje meer te bekennen, in m’n zomerbroek!

De onvolprezen Berlijn-Gids.
De onvolprezen Berlijn-Gids.

Zo kwam ik er achter
Tja, Berlijn he. Daar kwam het allemaal door. Daar ben ik in mei 2006 met mijn alderliefste een weekje heen geweest. Indrukwekkende stad, voortdurend het gevoel van midden in onze geschiedenis te lopen, onvergelijkbare architectuur, de sprekendste ruïnes, de Bebelplatz, de Muur, het Holocaust-monument. Alles met behulp van die fantastische Capitoolgids Berlijn die ik nadien even uitgeleend en nooit meer teruggekregen heb. (Wie o wie ook alweer? Misschien staat ie ergens naast m’n W.F. Hermans’ ‘Onder professoren’, dat kort tevoren helaas dezelfde weg gegaan is…)

Enfin, dat zaten wij op een zondag begin juni allemaal te verhalen tegenover onze dochter die na een kwartiertje tegen me zei: ‘Waarom hou je telkens even stil, en grijp je naar je borst?’ / ‘Nou je het zegt,’ zei ik. ‘Dan trekt mijn hart even grimmig samen lijkt het wel, en dan moet ik even wachten tot de pijn over is.’ /  ‘Zou je daar dan niet als de wiedeweerga mee naar de dokter gaan, dom vadertje van me?’  Morgen dan maar ’s doen dan, maandag 5 juni 2006.
Binnen 5 minuten wist de goede man genoeg. ‘Als dat geen klassiek gevalletje angina pectoris is, dan ben ik geen huisarts. Ik zal contact opnemen met cardiologie in het ziekenhuis. U hoort nog van mij.’ – The rest is history, zie boven.

Op zoek naar de werkelijkheid.
Op zoek naar de poëtische werkelijkheid.

De poëtische werkelijkheid
Met het gedicht dat ik deze keer als afsluiting plaats zou ik elk Balthasarsjaar wel kunnen besluiten: Zoëven kwam ik de werkelijkheid tegen, van de Vlaamse dichter Herman de Coninck (1944-1997). Immers, elk autobiografiejaar probeer ik de ‘werkelijkheid’ van ‘toen’ te achterhalen, te interpreteren en te beschrijven. Het resultaat is menigmaal arbitrair en zou ik – bij leven en welzijn – nog eens door een betere versie moeten vervangen. Voorlopig zit dat er niet in, eerst maar eens de hele reeks afmaken. Vandaag was dat het jaar 2006, het jaar waarin ik opnieuw geprobeerd heb om ‘de taal te dynamiteren tot een gebeurtenis waar veel mensen naar komen kijken’.
Nou ja, ik ben ook heus wel tevreden met het handvol liefhebbers dat elke keer weer komt ‘kijken’ wat me nu weer ‘gebeurd’ is. Kon ik dichten als Herman de Coninck, dan waren u en ik met heel wat minder woorden klaar!

Herman de Coninck op latere leeftijd.
Herman de Coninck op latere leeftijd.

Het gedicht ‘Zoëven kwam ik de werkelijkheid tegen’ stamt uit De Coninck’s eerste bundel De lenige liefde, 1969. Ik trof het al zoek/lezende aan in het verzamelwerk: Herman de Coninck, De gedichten, Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen 1998. – Een heel rijk boek van samensteller Hugo Brems waarin ik nog veel gebeurtenissen kan gaan bekijken. ‘Ja, doe dat,’ zingt de poëtische werkelijkheid me toe. Beloofd.

ZOËVEN KWAM IK DE WERKELIJKHEID TEGEN

Zoëven kwam ik de werkelijkheid tegen
en ze zei: ‘Dag, en wie ben jij?’
‘Ik,’ zei ik, ‘kan dat?’
‘Bij mij wel,’ zei ze.
Ik wilde wel van haar houden,
en toch, ze was zo gewoon,
maar ze zei: ‘Natuurlijk. Kijk,
de velden hebben geen nevel meer nodig
om te slapen
en wij geen verliefdheid om te beminnen.’
En toen moest ik lachen.
‘Je bent dan toch nog een poëtische
werkelijkheid,’ zei ik. En zij:
‘Ja, natuurlijk, wat had je dan gedacht?’

En ik bekeek haar lang, en dacht:
‘Nu komt de zomer in het land
en veel beelden in mijn gedicht.
Ik wil de taal dynamiteren tot een
gebeurtenis waar veel mensen
naar komen kijken.’
‘Ja, doe dat,’ zei ze.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *