Intermezzo 9 – Geesten uit het verleden

Hartje Uilenburgkwartier: Zoete Lieve Gerritje boven 'de Diest'.
Zoete Lieve Gerritje (1958) in het hart van De Uilenburg; beeldhouwer Leo Geurtjens.

Ik kom er nog maar zelden, in het binnenstadskwartier De Uilenburg in Den Bosch – ‘daar waar mijn wieg heeft gestaan’. Maar áls ik er kom, word ik steeds nadrukkelijker overvallen door een legioen geesten uit het verleden. Voor ik verder kan met het jaar 2013 moet ik eerst even wat van die ‘schimmen in mijn hoofd’ bezweren.

Ik was een kind en wist niet beter…
Praktisch mijn hele geboortebuurtje staat tegenwoordig in het teken van de horeca, uitgaan, vrije tijd, een permanente demonstratie van hedonistische overvloed en welbehagen. Maar in mijn jeugd, de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw, was in deze straten het hameren, otteren en boren alom aanwezig. Handkarren, overalls en stofjassen – en niet te vergeten de paard-en-wagens van groenteboer, bakker en schillenboer – bepaalden het straatbeeld. Zo nu en dan trok er een straatzanger voorbij, in het diepe najaar de voddenboer met zijn roep om ‘hazen- en konijnenvellen!’, en de aliekruikenverkoper (wij spraken van ‘ùlliekrieken’) kwam toch zeker twee keer per jaar langs met zijn handkar.

Korenbrugstraat 1955, de auto rukt op.
Korenbrugstraat 1956, de auto rukt al op.

Iedereen was braaf en deed als vanzelfsprekend zijn best om de eindjes aan elkaar te knopen, of nét iets meer. De gezinnen waren groot, de woningen boven de werkplaatsen en winkels klein, en dus speelden wij kinderen altijd op straat. Ik kan het aantal uren niet becijferen dat ik in de poortopening bij Willem de smid (hoek Molenstraat/Sint-Jansstraat) naar het beslaan van de paarden heb staan kijken.

Lijkkisten versus Fijne vleeswaren
Begin 2013 las ik in de krant dat mijn geboortehuis – sinds jaar en dag Het Veulen geheten = Korenbrugstraat 9A – nummer 70 is geworden in de top-100 van meest aantrekkelijke cafés van Nederland in 2012. Op zich natuurlijk mooi, nummer 70, maar ik vroeg me toch af of het pand met die ranking niet enigszins onderbedeeld is omdat de jury er weet van had dat mijn vader er tientallen jaren lang doodskisten heeft staan timmeren.

Korenbrugstraat: vroeger de lijkkisten naast de fijne vleeswaren. Tegenwoordig: alle dagen feest.
Vroeger de Lijkkisten naast de Fijne Vleeswaren;  tegenwoordig alle dagen feest.

Want kijk eens naar nummer 34 op de lijst, slechts enkele deuren bij de lijkkistenmaker vandaan, Kollenburg’s Bar le Duc op Korenbrugstraat 5. Daar waren ooit ‘Fijne Vleeswaren’ te koop, de winkel heette Luilekkerland en het was de publiekstrekker van de straat. Een beetje jury geeft daar kennelijk bonuspunten voor, anders kan ik het grote verschil in waardering tussen de nrs. 70 en 34 op de landelijke lijst niet verklaren.

Maar allez, zand erover, want twee tenten in de café-top-100 is voorwaar toch geen slechte score voor zo’n doorsneestraatje uit de tijd van toen. Toch?

Moeders tweede leven
Het was 1 februari 1980 toen mijn moeder aan een hartstilstand overleed, 77 was ze en nog in betrekkelijk goeie doen. Was ze blijven leven, dan zou ze nu ik dit schrijf 114 zijn, terwijl ikzelf net haar eindtijd van 77 heb bereikt. 114 had ik wat overdreven gevonden, maar 77 was te jong, ook in 1980 al. Daarom gun ik haar graag een herkansing.

Je moet erin geloven...
Je moet erin geloven natuurlijk…

Als je, net als mijn moeder, een gezin met 13 kinderen, man en opa moet bestieren word je als vanzelf een dominante vrouw met een stugge kijk op het leven. En als je jezelf dan ook nog in 15 partjes moet verdelen, tja, dan krijgt iedereen natuurlijk maar een heel klein stukje van jouw koek. En ik geloof niet dat er dan nog iets voor jezelf overschiet. Als je het zo bekijkt is het een regelrecht wonder dat mijn (‘ons’) moeder in redelijke harmonie met iedereen de 77 gehaald heeft.

Voor mijn moeder bid ik daarom dat reïncarnatie een reële optie is, zodat ze alsnog kan genieten van een luchtig leven met 15 bedienden, rechte benen, altijd genoeg huishoudgeld, een echt bed en – o wonder – een badkamer. Oja, en met een borstel aan een lange steel, om de jeuk op haar rug – ‘tussen m’n schouderbladen, iets lager, iets naar links, ja dáár, o, ja dáár!’ – mee weg te kunnen krabben. En natuurlijk zou ze d’r eigen kleren blijven naaien, van de allerfijnste marktstoffen, en zonder op de kosten van knopen of voering te beknibbelen. Jaaah!

Coppens Lijstenfabriek op de hoek van de Lepelstraat/Sint-Jansstraat.
Coppens Lijstenfabriek op de hoek van de Lepelstraat/Sint-Jansstraat.

Coppens Lijstenfabriek
Nog zeer onlangs had ik in het Bossche uitgaanskwartier een etentje, in Restaurant ‘t Keershuys. Zo’n gelegenheid waar donkerte tegenwoordig troef is, terwijl ze er oorspronkelijk toch voornamelijk kaarsen verkochten aan de buitenlui die ’s avonds voor het donker de stad via de Sint-Janspoort verlieten. Het historisch besef is soms ver te zoeken, terwijl dat hele Uilenburg-kwartier het toch juist van zijn geschiedenis moet hebben: vismarkt, molenstraat, korenbrugstraat, karrenstraat, namen die terugvoeren naar de dertiende-eeuwse praktijk en bedoeling (‘Toen den Hertog Jan kwam varen, te peerd parmant, al triomfant’).

Enfin, het tamelijk scheef hangende Keershuis zelf is tegenwoordig gelukkig in betere conditie dan het al die eeuwen waarschijnlijk geweest is. Ik kan het in elk geval vergelijken met de jaren uit mijn jeugd, toen er een geheimzinnig donkere lijstenmakerij in gevestigd was, met veel goud en gipsen krullen om er de kleurige landschapjes en stadsgezichten mee op te tierelantijnen. Het rook er altijd naar muffe gist en iets ‘sjemies’, de eigenaar was wars van pottenkijkers en hield de poort dicht.

't Keershuys: vroeger de lijsten, tegenwoordig het restaurant.
’t Keershuys: vroeger de lijsten, tegenwoordig het restaurant.

Een beetje een enge bedoening daar, pal tegenover het stinkende stadsriviertje De Dieze (‘de diest’, zeiden wij) dat hier aan de oppervlakte gebracht was om het niveauverschil met ‘de binnenhaven’ te reguleren. Soms viel er een kind in het water achter die kunstmatige draaikolk, en dan werd mijn dappere broer L. uit zijn bed geroepen om voor reddende engel te spelen. En trots dat ik was op mijn grote broer, mijn held met een medaille van de burgemeester! – Ik was een kind, hoe kon ik weten, dat dat voorgoed voorbij zou gaan…

Piet de Laat, loodgieter
De Laatste der Mohikanen in het huidige terrassengeweld is fietsenmaker Kemps, nou ja, hij verkoopt tegenwoordig vooral luxe e-bikes en scootertjes en heet daarom nu Kemps Bike Totaal. Een vreemde eend in de bijt van het hedonistische stappen en happen. Zijn ondergang is al vaak voorspeld, maar vooralsnog geen krimp! Kemps neemt nog altijd een voorbeeld aan zijn onverzettelijke voorganger: Piet de Laat – loodgieter, vader van mijn overbuurvriendje, een zachtaardige reus met één knecht, zijn broer B. – gevestigd aan Korenbrugstraat 10.

De poort van zijn werkplaats was het vanzelfsprekende doel van ons balspel, je mocht er alleen op koppen, niet op schieten. Maar soms vergisten we ons natuurlijk, dat kon hij hebben. Meneer de Laat had een ‘grote’ en een ‘kleine’ werkplaats, en achter de grote een binnenplaats met een donkere stal waar je je heerlijk kon verstoppen. In de kleine heb ik ‘loden’ soldeerstaven leren gieten, in de grote stond de ‘zetbank’ waar het zink voor de dakgoten mee in de juiste vorm gebogen werd. Met die zetbank moest je verdomd goed oppassen, één keer deed Jantje de Laat dat helaas niet. Zijn hele leven heeft ie het daarna met negen vingers moeten doen.

Een kwart van de feeststraat is voor fietsenmaker Kemps.
Een kwart van de feeststraat is voor fietsenmaker Kemps.

Maar toen zaten we al in 1960, was het gedaan met de twee werkplaatsen en de reus met zijn knecht, en kwam voor het eerst Jan Kemps op de proppen met zijn fietsenmakerij. In die jaren deed mijn heldenbroer L. dappere pogingen om de timmerwerkplaats van mijn vader voort te zetten. Maar dan zonder de lijkkisten, want daar had ie een broertje dood aan. De tijd voor eenmansbetimmeringen bleek echter voorbij, de hele binnenstad werd gerenoveerd toen het algemene welvaartspeil steeg, en zo begon de horeca zijn tentakels door de nauwe centrumstraten te slingeren. – De nieuwe tijd, net wat u zegt. En de kleine revolutie was begonnen.

Vaders scheerkist.
Vaders scheerkist.

Vader scheert zich een feestje
Ik mocht hem zaterdags graag observeren als ie zich in de huiskamer aan het scheren zette. Met zijn scheerkist op de tafel, het spiegeldeksel opengeklapt, een handdoek bij de hand en op schoot. En… met z’n bril op, eeuwenlang diezelfde bril, die almaar groter werd naarmate zijn gezicht holler en zijn huid doorschijnender werd.

Eerst zette hij het losse mesje langdurig aan in de hol geslepen glazen tafelslijper; daarna monteerde hij het mesje voorzichtig in de veiligheidshouder, het krabbertje. Vervolgens goot hij heet water uit de ketel in het scheerbakje, en begon zich systematisch met scheerstaaf en kwast in te zepen. Dat inzepen duurde nogal lang, vond ik.

De onderdelen van het krabbertje waar het gewette mesje in gemonteerd moest worden.
De onderdelen van het krabbertje waar het gewette mesje tussen gemonteerd moest worden.

Enfin, dan volgde de eerste raspende scheerronde, met de baardharen mee. (God wat kon dat schrijnen zeg, mijn armharen gaan weer overeind staan nu ik er aan denk.) En nog een tweede ronde, tegen de baardharen in. En heel soms  een derde ronde, als ie in Boxtel bij oom Jan Hagemans moest gaan kaarten of als ie in de kerk het baldakijn mee rond moest dragen. Vervolgens bette hij zijn gezicht met vers water, schoof het blokje aluin voorzichtig over de tere huid om kleine bloedplekjes en sneetjes te bezweren, en depte tenslotte met de handdoek zijn gezicht droog.

De bril week al die tijd geen seconde van zijn neus, maar was inmiddels wel onderdeel van het hele scheerproces geworden. ‘Vader, oewen bril!’ sprak mijn moeder dan lichtelijk bestraffend over haar krant heen. De handdoek schoonde de bril zo’n beetje en redde zijn gezicht (en de stemming van ons moeder). – Daarna was vader het heertje, en mochten we voelen hoe glad z’n gezicht nu wel was. Een klein feestje.

De dichter Lucebert, 'keizer der vijftigers'.
De dichter Lucebert, ‘keizer der vijftigers’.

Schietende schimmen van Lucebert
Geprojecteerd op mijn kinderijd is het onvoorstelbaar dat en hoe sommige anderen allang met ‘de nieuwe tijd’ bezig waren. De dichter Lucebert (1924-1994) bijvoorbeeld, die al in 1951 ‘de kleine revolutie’ preekte, waarin niets meer hetzelfde zou blijven (‘ik draag schietende schimmen in mijn hoofd’), maar dat dat helemaal niet erg hoefde te zijn (‘en ik val en ik ruis en ik zing’). – Inderdaad, van het Uilenburg-verleden staan alleen de gevels nog overeind, maar een heleboel  geesten waren nog steeds rond in mijn hoofd.

De kunst is om de revolutie te herkennen...
De kunst is om de revolutie tijdig te herkennen…

IK DRAAI EEN KLEINE REVOLUTIE AF

ik draai een kleine revolutie af
ik draai een kleine mooie revolutie af
ik ben niet langer van land
ik ben weer water
ik draag schuimende koppen op mijn hoofd
ik draag schietende schimmen in mijn hoofd
op mijn rug rust een zeemeermin
op mijn rug rust de wind
de wind en de zeemeermin zingen
de schuimende koppen ruisen
de schietende schimmen vallen

ik draai een kleine mooie ritselende revolutie af
en ik val en ik ruis en ik zing

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *