1941 – O, DIE ZUURZOETE ONWETENDHEID

Terwijl mijn vader beneden in de werkplaats – steeds met een brandende sigaar tussen zijn lippen, en pal onder de bestofte waarschuwing ‘Roken en open vuur verboden’ – maar voorttimmerde aan zijn nooit eindigende rij doodskisten, beredderde mijn moeder boven – heel klein maar dapper – haar nu 12-koppige huishouden. En terwijl ik me in de box en aan haar borst beetje bij beetje in de richting van een mens lag te ontwikkelen, richtte haar aandacht zich in de tweede helft van 1941 alweer op de komende, elfde baby. 

[ O, – ja dit moet even, mensen – o, mijn moeder en haar ‘nooit eindigende’ rij zwangerschappen en kinderen, slachtoffer van een katholieke moraal die genadeloos het individu opofferde om maar aan het getal te komen. Mijn moeder moest eerst door de hel om haar hemel te verdienen, zij het met deze aantekening dat de hel nogal aards was, en de hemel een sprookje. – In die hemel dus graag een standbeeld van ‘zoete rijstebrij met gouden lepels’ voor haar en al die andere brave, onwetende, ja bewust dom gehouden moeders, en een enkele reis aards hellevuur voor al die schandaleuze en schijnheilige soepjurken, toga’s, kazuifels, pastoorshoeden, zwartrokken en bisschopsmijters die daar blijkens recente ‘berichten uit het hiernamaals’ nog steeds de hoogste rangen innemen. Ransel ze eruit, dames, als eens de boze Jezus de tollenaars uit de tempel! – Zo! Ziezo! ]

Intussen verkeerde ik al kraaiend en poepluierend natuurlijk in zalige onwetendheid over wat er allemaal door het Derde Rijk van Adolf Hitler aan ellendigs over de wereld, Nederland, Den Bosch, de Korenbrugstraat, en Huize Balthasar in het bijzonder uitgestort werd. Die oorlog bepaalde in toenemende mate het leven van alledag, dat kun je in de eerste 6 boekdelen van Lou de Jong’s ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ haarfijn nalezen. Maar dat is nogal veel zult u zeggen, 6 dikke boeken over de eerste 2 oorlogsjaren, en daar hebt u gelijk in.

Daarom noem ik hier hinkstapsprongsgewijs een paar gebeurtenissen om de gedachten over 1941 een klein beetje te bepalen: in Amsterdam vindt de Februaristaking plaats uit protest tegen de eerste razzia’s aldaar, in Duitsland wordt de Jodenster verplicht (vanaf 6 jaar!), de Operatie Barbarossa barst in alle hevigheid los (Nazi-Duitsland valt Rusland binnen), en op 7 december 1941 vernietigen Japanse vliegtuigen de Amerikaanse vloot in Pearl Harbour, waarna Amerika actief bij WO II betrokken raakt en de kansen voor Duitsland beginnen te keren. En, dichterbij huis, vrijde en trouwde mijn tante M. met de Duitse soldaat P., en was er een geheimzinnige Amsterdamse oom T. die met zijn ‘diamanthandeltje’ aardig wat geld aan de oorlog wist te verdienen – en dat na de oorlog samen met mijn tante Z. vrolijk in Costa Rica op ging maken. – Dat vind je ook bij L. de Jong, maar dan met andere namen en andere aantallen.

Van nog wel meer ‘aspecten des levens’ was dit koningskind zich in 1941 totaal niet bewust. Lang denk je dat je de enige bent die deze unieke periode en de bijbehorende uitzonderlijke omstandigheden kan claimen, tot  het tot je doordringt dat er elk jaar wel honderdduizenden mensen worden geboren, waarvan duizenden op 6 januari, en toch minstens tientallen met de naam Balthasar. Een piepkleine lichting uit jouw geboortejaar komt bij je in de klas of wordt je militaire jaargenoot. De meesten blijven net als jij hun hele leven lang in de anonimiteit, sommigen worden bekend en halen de geschiedenisboeken.

En verdomd, als je zo’n rijtje bekende namen van 1940’ers bij elkaar ziet staan, komt er als vanzelf een gevoel van ongearticuleerde trots en verbondenheid aan de oppervlakte dat natuurlijk elke rationele grond mist. Maar toch, maar toch, is het een schande om je een beetje geassocieerd te voelen met mensen als: Jan Pronk, John Hurt, Peter Fonda, Sonja Barend, Nico de Glas, Jeroen Brouwers (lees ‘Het Hout’ mensen, zijn leste-allerbeste), Jan Janssen (ja, die van de Tour 1968), Wim Driessen, Hans Dorrestijn (‘Schoonheid is niet wezenlijk, / Zij vergaat heel snel. / Blijvend is de lelijkheid, / Dus onderhoud haar wel.’), een John Jansen van Galen (nog altijd de koning van ‘Het Oog’), John Lennon (‘The king is in the kitchen, making bread and honey’), Jac de Laat, Terry Gilliam of Frank Zappa – louter en alleen omdat je in 1941 allemaal één jaar werd (incl. de drie klasgenoten die ik hier alvast binnengesmokkeld heb)? – De wetenschap dat er ook andere lijstjes te maken zijn, houd ik veiligheidshalve nu maar voor me.

J. Presser
J. Presser

“Ik denk: het heeft zo moeten zijn.”
Over ‘onwetendheid’ gesproken, daar wist Jacques Presser (1899-1970), Joods dichter en latere historicus, over mee te praten. Toen hij begin jaren 40 onderstaand gedicht over zijn spoorloos verdwenen geliefde schreef, kon hij niet bevroeden dat zij inmiddels met een vals persoonsbewijs opgepakt was, en in het vernietigingskamp Sobibor om het leven gebracht was. Haar lot was hem onbekend, maar ondanks die moordende onzekerheid hoopte hij op een heerlijk ‘weer tezamen zijn’.

J. Presser was een geboortejaargenoot van mijn vader, en werd vooral bekend door zijn boek ‘De ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945’. Maar daar had mijn vader in de verste verte dan weer geen weet van.

JE LIPPEN DIE IK HEB GEKUST

Je lippen, die ik heb gekust,
Je haren, donker en verward,
En dan je hart, je jonge hart,
Waaraan ’k zo heerlijk heb gerust…
Ik denk: het heeft zo moeten zijn.
Soms is ’t, alsof je bent gestorven.
Wie weet, hoe ver, in leed en pijn,
Wij zullen hebben rondgezworven,
Voordat wij weer tezamen zijn.

 

3 gedachten over “1941 – O, DIE ZUURZOETE ONWETENDHEID”

  1. Gelukkig! Ik ben het weer helemaal oneens met Balthasar en Willem en met ca. heel schrijvend Nederland, deze keer aangaande die gemene roomse moraal. Ben altijd bang iemand aan te treffen die er hetzelfde over denkt als ik, maar komt praktisch nooit voor. Ik (1940) ben nu te oud voor twistgesprekken en gun iedereen zijn eigen sprookjes, of ze nu zwart zijn of zonnig.
    Dat ik met Jan Pronk op één lijst sta toont weer de beperkingen aan van dit kalendergeneratiedenken van jou. Zeer mooi vond ik echter je vader met zijn sigaar onder dat bordje Roken Verboden. Ook dat Schoonheid is niet wezenlijk. Kan ik dezer dagen goed gebruiken.
    Schrap mij niet van je lezerslijst, o Driekoning!

    1. Die uitweiding over de roomse moraal die zoveel ellende heeft aangericht, die moest er duidelijk even uit. Zeer terecht, Balthasar!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *