1943 – OORLOG VAN KASTJE TOT KISTJE

Binnenwereld
Huize Balthasar stond aan de straat met een negentiende-eeuwse baksteengevel van drie verdiepingen hoog, 1 deur en 2 ramen breed, krap 6 meter. De deur zat in het midden, en bestond in de jaren veertig uit twee smalle openslaande helften met een dwarse ‘boom’ aan de binnenkant bij wijze van slot. Duwde je jezelf naar binnen, dan klingelde de bel bovenaan de deur. Was er niemand ‘beneden’, dan riep je luid ‘Volk!’ tot er iemand kwam. Of ‘Blijf maar!’ als je ‘eigen volk’ was.

Het voorste deel van ‘beneden’ was wat altijd ‘de winkel’ is blijven heten, ook al was dat iets van vorige bewoners. De winkel diende voornamelijk als opslagruimte, onder andere voor de groene handkar-met-dekzeil waarmee mijn vader zijn lijkkisten naar de mortuaria bracht. In de winkel links was de deur die de toegang naar boven ongezien hield. Achter de deur een steile trap van 16 kale treden met gemene slijt-ijzers aan de voorkant. Van die trap moest je elk jaar een keer afvallen, dat was nou eenmaal zo, en ik was altijd blij als mijn beurt er weer op zat.

Achter de winkel bevond zich de ‘werkplaats’, met een verhoogde houten vloer. Daar stonden twee werkbanken tegenover elkaar, tegen de muren; met daartussen ruimte voor twee zware schragen waarop aan de lijkkist-in-wording gewerkt kon worden. Rondom die kist kon je met meer man tegelijk de bodem eronder timmeren: ja, in tijden van drukte moest iedereen nou eenmaal meewerken, en ’n beetje rap liefst.

De linkermuur van de werkplaats was nogal flexibelig, en bestond uit een lattenbetengeling met jute, die grote kastruimtes van zeker 1,50 m diep creëerde. Eén kast heette Sinterklaas-kast, een andere Pieterman-kast (Zwarte Piet bestond nog niet!). Tegen het jaareinde werden daarin de onderhanden sinterklaascadeaus (een tweedehands poppenhuis, een op te knappen trekhond, nieuwe stoeltjes, brei- en naaiwerk) opgeborgen. In die kasten lagen ook het beslag en de kostbare bekleding voor de kisten opgeslagen, koperen crucifixen, zilveren grepen, zijden sierranden. – ’n Jaartje verderop in de oorlog, toen Engelsen en Duitsers elkaar onze biotoop aan de Dommel betwistten, schuilden wij met z’n allen in die kasten omdat het ‘boven’ toch wat te link leek, en in de kelder bij buurman Van den Broek te benauwd.

Na de oorlog bleken bij een grote schoonmaak de ruimtes boven de muurkasten op hun beurt ook weer kasten te bevatten, onherkenbaar gemaakt door doorlopend behangwerk. En toen kwam uit die kasten een onschatbare voorraad aan luxe zeep en suiker tevoorschijn, levensmiddelen die in de loop van de oorlog onbestaanbaar geworden waren. Terwijl de familie vervuilde, lag de schoonheid in die bovenkasten van goud te worden.

Hoe die spullen daar in die bovenkasten terecht gekomen waren? Mijn vader heeft het bij mijn weten nooit willen (of kunnen?) vertellen. Misschien maar beter ook: wij hadden in de oorlog anders gemakkelijk door de mand kunnen vallen als verdacht schone en welriekende burgers. – Zeker is dat wij ons, na de ontdekking van dit goud, nog jaren met zeep uit de pakjes met de blauwe karnemelkmeisjes gewassen hebben.

Buitenwereld
Terwijl ik bijna ‘klaar’ was voor de bewaarschool van de Zusters van Liefde in de Postelstraat, werd de oorlog in de buitenwereld almaar driester en bruter. Ik beperk me hier tot een paar raakvlakken tussen ‘binnen’ en ‘buiten’.
– Mijn oudere broer L. begon – aanvankelijk in een sigarenkistje van Elisabeth Bas – met de aanleg van zijn verzameling granaatscherven. Hij was het ook die op enig moment een enorme koperen granaathuls wist te bemachtigen, die nog jaren tot onderstel diende van het sjieke plantentafeltje voor moeders clivia.
– Tante M. verhuisde met haar Duitse soldaat P. naar Traben-Trarbach a.d. Moezel, waarna Onkel P. naar het Russissche oostfront gestuurd werd, Stalingrad meemaakte, en als krijgsgevangene aan een lange zwerftocht naar huis begon.

The imitation game
The imitation game

– De geheime Engelse groep cryptografen o.l.v. Alan Turing kraakte de Duitse Enigma-code, wat volgens latere berekeningen de oorlog met zeker twee jaar bekort heeft. – Vorige week nog zag ik hierover de film The imitation game met Benedict Cumberbatch (Sherlock!) in een weergaloze hoofdrol, gaat ‘m zien!
– Penicilline, het door Alexander Fleming uitgevonden middel tegen ontstekingen, werd door de Amerikanen massief in productie genomen als geneesmiddel voor hun troepen in de oorlog. De biografie van de uitvinder inspireerde mij enkele jaren later tot de wens om ‘dokter’ te worden. Toen onze kruidenier Van Bakel/Heijmans, die aan open benen leed, daarvan hoorde, vleide hij me met de uitspraak: ‘Als je dat doet, jongen, dan ben ik je eerste klant!’ – Maar ja, geen bèta-koppie, he.
– Op 12 januari 1943 overleed de dichter Jan Campert in het concentratiekamp Neuengamme .

Jan Campert
Jan Campert

Jan Campert (1902-1943) is vooral bekend van  ‘Het lied der achttien doden’ dat hij in het illegale Vrij Nederland publiceerde. Aanleiding was de executie van 18 verzetsstrijders op de Waalsdorpervlakte. – De eerste strofe van dit gedicht is uitgehakt in een steen die zich op kamp Westerbork bevindt. Die strofe staat hieronder, en behoort tot de canon van de Nederlandse oorlogslyriek. – Voor het hele gedicht, zie hier.

HET LIED DER ACHTTIEN DODEN
(fragment)

Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond,
dat ik nu nog niet weet,
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien,
wij waren achttien in getal,
geen zal den avond zien.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *