1959 – Loopplank met hete kolen

Keerpunt 59
Van de ene wereld naar de andere

Op broze voeten past de maand augustus het jaar 1959 in twee markante delen af: aan de ene kant het staartje van mijn ‘schoolloopbaan’, aan de andere de start van mijn ‘werkzame leven’.  – Studeren aan een dagopleiding zit er voor mij niet in, er moet geld in het laatje komen.
Wat augustus óók markeert is de onbedaarlijke zomer van 1959, het wordt het zonnigste jaar ooit, met een Indian Summer tot diep in september en oktober.
 

Die ‘broze voeten’ en die ‘onbedaarlijke zomer’ hebben overigens alles met elkaar te maken. Bij aanhoudend hoge temperaturen produceert mijn huid namelijk warmtebultjes, blaasjes vol vocht en jeuk. Aanvankelijk vooral op mijn handen, maar deze zomer toch voornamelijk op mijn voetzolen. Het jeukt, het schrijnt en het loopt me toch lastig!

Ingepakte warmtebultjes
Ingepakte warmtebultjes

Dus besluit ik mezelf daar eens driftig van af te helpen: ik prik met een naald de blaasjes door, dep het vocht weg en verlicht m’n gekwelde voetjes met hele dotten talkpoeder. Tot de voetzolen natuurlijk gevoelig beginnen te ontsteken en een bezoek aan de huisarts onvermijdelijk wordt. Die geeft me een smeerseltje, rollen verbandgaas en een stevige vermaning: warmtebultjes laat je gewoon uitwoeden, tot ze vanzelf verdrogen en verdwijnen. Aha.
En zo hobbel ik een maand na mijn eindexamen op dik ingepakte voeten in sandalen naar mijn eerste betaalde baan. – Augustus 1959, het is niet wat je noemt een walk-over, het is een loopplank met hete kolen.

Eindexamen gymnasium alfa
Het blijft een feestje, het mapje met je diploma’s doorkijken: jubelende ambtenarentaal jubelend gekalligrafeerd op handgeschept papier. Met de bijbehorende cijferlijsten, uitgeschreven op heel wat ordinairder papier, is het al wat minder feest (voornamelijk zessen en zevens), behalve dan bij het diploma steno/typen: louter negens en tienen. (Daar kijk ik trouwens met enige vertedering op terug terwijl ik me donders goed realiseer dat m’n steno volledig verdwenen is, en dat het met het typen nooit geworden is wat het had moeten zijn. O, die heerlijke betrekkelijkheid van cijferlijsten.)

In mijn woordenboeken Latijn en Grieks bevinden zich nog steeds de gedrukte examenteksten van het ‘schriftelijk’, voorzien van mijn potloodaantekeningen en kladvertalinkjes. Een en al onbegrijpelijke wijsheid achteraf, voorzien van het stempel van het St.-Janslyceum, ook na 56 jaar nog in glanzend paars. – En moeder, wat was het alle dagen heet!

Plato, altijd 'lastig'
Plato, altijd ‘lastig’

Vooral de twee dagen ‘mondeling’ waren slopend: telkens 15 minuten een lastige tekst voorbereiden in een zweetkamertje, dan de confrontatie met docent en gecommitteerde. Enkele keren konden docent en gecommitteerde het maar niet met elkaar eens worden, hetzij over de bedoeling van de tekst, hetzij over de inbreng van de kandidaat. Geruststellend was dat nooit.

Hoe dan ook, dat Diploma Gymnasium A bevat een rijtje handtekeningen die ik van m’n leven niet had willen missen: De Vogel, De Vries en Rompelman (hoogleraren/gecommitteerden), Ch. Pacilly (rector), Köster, Van Sleeuwen, Theunissen, Van Baars, Wolfs, Spee, Nieuwendijk, Verhoeven en Uitdehaag (docenten), onleesbaar (handtekening van de geëxamineerde). – Allemaal mannen, op mevrouw De Vogel (klassieke talen) na. Zij was dan ook de meest kritische van het stel, een naam die ik later nog menigmaal tegengekomen ben.

Na de diploma-uitreiking, waar niemand uit mijn directe omgeving bij aanwezig was, kreeg ik ’s middags bezoek van pastoor Lücker, ’n beetje deftige Amsterdamse man die met z’n hele wezen afkeer van onze wat armelijke parochie uitstraalde, maar ook een man die een geslaagde gymnasiast natuurlijk maar wat graag wilde feliciteren. Koffie bliefde hij, en een sigaret. Mijn broer J. bood hem een zelf gedraaid sjekkie aan. Dat was Lücker verre te min, ‘mijn eigen merk graag’. Dus stuurde mijn moeder broer J. eropuit om bij ‘Klein’ een pakje Player te gaan kopen. – J. kan er nog elke keer kwaad om worden dat we het erover hebben. ‘Klein’ had geen pakjes Player van 10, alleen dure van 20.

‘De wet op woonwagens en woonschepen 1918’ & ‘Het rooien van bomen langs wegen voor doorgaand verkeer’
Dat is kort samengevat het werk waar ik op de Provinciale Griffie Noord-Brabant, Eerste Afdeling een halfjaar mee aan de slag ging. Dat halve jaar was vooraf bepaald, omdat ik daarna in militaire dienst zou moeten. Op de Griffie kon ik in die periode nét een ambtenaar vervangen die na een halfjaar… uit militaire dienst zou komen. Een ‘vondst’ van moderator Werner en plv. griffier Bogaers, een Brabants-katholieke congsi die mij welwillend in het zadel hielp. Mijn vader was er zichtbaar verguld mee.

Eerste verdieping, vierde raam rechts boven de ingang
Eerste verdieping, derde raam rechts van de ingang

De Eerste Afdeling was gehuisvest in een deel van het ‘gouvernementspaleis’ aan de Verwersstraat dat voorheen de slaapkamer en de badkamer van de logerende vorst(in) omvatte. Ik had er een houten cilinderbureau dat naar pijptabak rook, en deelde telefoon en typemachine met de heren Vermeer, Smits en Van der Avoirt.
Telkens als ik met anderen het huidige Noord-Brabants Museum bezoek, laat ik hen even zien waar ik als klerk in 1959 begonnen ben: het derde raam rechts boven de entree, op de eerste verdieping. Het is dat ik geen hoed draag, anders zou ik ‘m graag even voor me afnemen.

Het loon werd aan het einde van de maand op Sancta Salaria contant uitgekeerd. Daartoe zweefde een speciale bode met een op maat gemaakte bak loonzakjes door de Griffieburelen. Per kamer deelde hij die zakjes gul en kwistig rond alsof ie alles uit eigen zak betaalde, en ging er vervolgens op z’n gemak bij zitten.
Het werd mij snel duidelijk dat de bode niet zou vertrekken voordat al het muntgeld uit de zakjes hem als dank toegevallen was. En zo geschiedde.

Tot besluit van mijn halve jaar pennen en likken ontving ik een mooi getuigschrift van griffier Bogaers met de belofte dat ik beslist een goede ambtenaar zou kunnen worden. Maar ik had andere plannen. Zoals Jan de Quay de functie van CdK in Noord-Brabant verruilde voor het premierschap van Nederland, zo verliet ik mijn klerkenbestaan bij de Provinciale Griffie om Hare Majesteits Wapenrok te gaan dragen. Twee mannen uit Brabant die in dienst van het land treden!

Op zoek naar een onderwerp
Op de Griffie had je niet altijd druk te werken, er waren geregeld ‘lege’ uren die je naar eigen goeddunken kon invullen. Meneer Smits deed wiskundige puzzels, meneer Klein belde z’n complete familie in Papendrecht, collega Vermeer bezocht z’n vriend bij Registratie. Ik nam me voor om gedichten te gaan schrijven.
Dat ik er niets van bewaard heb is natuurlijk al een veeg teken. Ik herinner me vooral dat de meeste tijd heenging met de onderwerpskeuze, en vervolgens met het raadplegen van m’n schaarse dichtbundels. Soms trof ik een tekst waarvan ik meteen dacht: ja, dit, zoiets, zo! En vond het dan weer mooi genoeg.

Ton van Deel - Boven de koude steen
Ton van Deel – Boven de koude steen

Het volgende gedicht, ‘Gebeurtenis’ van Ton van Deel (1945), is zo’n ‘gevonden’ tekst. Het staat in de bundel “Boven de koude steen’ (Querido, 2007). – Hoe treurig de inhoud ook: ja, dit, zoiets, zo!

GEBEURTENIS

Op zoek naar een gebeurtenis
genoeg voor dit gedicht
kwam ik een koolmees tegen
Ik bukte en bekeek hem
van dichterbij wat nader
en zag dat hij ging sterven
Zijn oog liet mij dat weten
Hij beefde in zijn veertjes
en kon niet meer bewegen
Iets in hem was fel bezig
de overhand te nemen
Ik heb hem daar gelaten
boven de koude steen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *