1944 – Smakken van onschuld

Door een stortvloed aan gebeurtenissen beginnen in 1944 mijn binnen- en buitenwereld al knap door elkaar te lopen, alles natuurlijk gezien, opgeslagen en gereproduceerd via het brein van een vierjarige. 1944 is het jaar waarin onze nummer 12 geboren wordt – Hoera, maar-niet-heus, een mongooltje! -, het jaar van D-day, Dolle Dinsdag en de bevrijding van Den Bosch; het jaar waarin onze buurt op z’n kop staat van de oorlogshandelingen, en dus ook het jaar waarin ons halve dak afbrandt en ik mijn vader voor het eerst en het laatst van mijn leven zie huilen – onblusbare gebeurtenissen. 

M. was van meet 9 juli af aan ons zorgenkind dat alle aandacht vereiste en opeiste, erg ziekelijk ook, met een stoommachientje aan zijn wieg, en vroege operaties in de buik. Hij was een lief/onuitstaanbaar kind, met alle pech/geluk van de wereld. Je kon er niet omheen, nooit. Vader niet, moeder niet, maar ook de tien (later elf) andere kinderen niet. (Voor onze oudste, J., maak ik een uitzondering: die ken ik niet als inwonende broer, altijd weg, altijd de uitzondering, kunstenaar tenslotte.)
De meesten van ons waren gek op M., maar ik had daar niet zo’n last van. Niet dat ik er trots op ben of me er schuldig over voel, het was gewoon zo. Vooral de keren dat ik met hem moest (!) gaan wandelen en we te ver van huis raakten, hij niet meer verder kon noch wilde en ging zitten waar ie stond, zijn nog steeds als tamelijke wanhoopsmiddagen in mijn geheugen opgeslagen.

Met zijn handicap 100 werd M. overigens wel mooi 58 jaar, ongeveer 40 jaar ouder dan alle medische en religieuze deskundigen voorzien hadden. Zijn kussen waren tot op het allerlaatst smakken van onschuld, maar dan natter, een plenspartij. Hij was de gedroomde kandidaat voor de rijstebrijberg met gouden lepeltjes, in de hemelse nabijheid van zijn vader en moeder.

tommies in Den Bosch
Hommage aan de ‘Tommy’s’ in Den Bosch

De zorgen om M. konden overigens niet verhullen dat ook de buitenwereld zijn onbetaalbare tol eiste. In het kielzog van de Operatie Market Garden werd onze woonplaats Den Bosch in oktober 44 bevrijd. Uiteraard na hevige gevechten tussen de Duitsers en de Engelsen, ook in onze buurt, vlakbij de rivier De Dommel. Sterker, op een avond namen Engelse soldaten (de legendarische ‘Tommy’s’, zie het fraaie beeldhouwwerk van Kris Roderburg aan de Hekellaan in Den Bosch) via het dak van ons huis strategische posities in om de vijand aan de andere kant van het water te beschieten.

Terwijl wij in de muurkasten van de werkplaats ‘ondergedoken’ zaten, beloonden de eerste Engelse soldaten onze bereidwillige medewerking telkens met een appel. De stapel op de werkbank groeide en groeide. Tot een volgende soldaat er onder dankzegging eentje af nam en in z’n mond stak. Dat deed ook de daaropvolgende soldaat, en de daaropvolgende, enzovoort. Zodat wij per saldo met nul appels en de schrik in onze broek in de inbouwkasten van Sinterklaas en Pieterman de knetterende buitengebeurtenissen ondergingen.

Toen de Duitsers eenmaal de stad uitgedreven waren, begon gans dankbaar Den Bosch aan een nieuw leven. Op een avond in november gingen wij o.l.v. frateroom Clemens (broer van mijn vader) die ‘in de ziekenzorg’ zat, met het hele gezin naar Johan de Deo, het Broeder-ziekenhuis aan de Papenhulst. Daar moesten we ons tot op de naakte botten uitkleden, werden we ontluisd en met grote kwasten ontsmettingsmiddel ingesmeerd, een goedje dat me nog steeds als ‘krachtig teerachtig’ in de neus zit, en dat ik ook jaren nadien nog als stigmatiserend ervaren heb. Ik kan me niet herinneren dat andere mensen ook zo roken.

Op het laatste beeld van het jaar 1944 dat in mijn hoofd zit, houdt mijn moeder mij op de arm, en staat ze met mij in het donker uit het zolderraam te turen. Ze droogt mijn geschrokken tranen en sust me met ontspannen stem dat dat daarbuiten geen bommen en granaten zijn, maar vuurwerk, vreugdevuurwerk, zie je wel? Omdat we bevrijd zijn, dat er feest is, en dat we nu blij en gelukkig kunnen zijn. Dat alles goed komt, dus. – Ik herinner me m’n concluderende ‘nasnik’, zoals ik die later na huilbuien ook nog wel had, een tevreden slot op een peilloos ervaren verdriet.

Vanaf nu is mijn allereerste kindertijd voorbij, en begint de buitenwereld via de school zijn plaats op te eisen. Jaja, onze oorlog is over, de bewaarschool lonkt, een nieuwe tijd breekt aan. Het is of je voor het eerst promotie maakt, aan een ander niveau raakt, op weg en onderweg naar telkens iets hogers. Je hele leven ligt nu als het ware bewuster voor je, en voorlopig ziet het er allemaal alleen maar plezierig uit.

Gerrit Kouwenaar (1923-2014)
Gerrit Kouwenaar (1923-2014)

“IJswater koken leren”
In het gedicht ‘men moet’ van Gerrit Kouwenaar (1923-2014) lees ik – anders dan gebruikelijk, maar interpreteren van Kouwenaar is en blijft een hachelijke zaak – een programma des levens waarin de oorlog nog na-ijlt en de toekomst niet per se ’n eitje is. Kouwenaar publiceerde het gedicht in 1996, dik in de tweede helft van zijn leven, voor hem was dat boodschappenlijstje dus nogal dwingend. Dat geldt natuurlijk veel minder voor een bijna-vijfjarige, dus dat ‘vaders horloge’ uit de laatste regel bewaar ik maar tot 1981, toen ik het na zijn dood van hem erfde.

MEN MOET

Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen

men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder

men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren

men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen
zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen

men moet nog een kuil graven voor een vlinder
het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge –

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *