1946 – De grote wereld in

Geen vrijheid zonder bevrijding, dus kreeg dat begrip pas voet aan de grond toen gans het Nederlandse organisatietalent ingezet was om de bevrijding van de Duitse overheersing in een groots volksgevoel om te zetten. In 1945 en 1946 werden overal  zogenaamde bevrijdingsfeesten op touw gezet, en overal was de deelname massaal.

Zo schijnen de feesten van 4 en 5 mei ‘46 in de Bossche volkswijk De Pijp legendarisch geweest te zijn, geheel in Franse stijl opgetuigd als ‘Montparnasse’ en met een eigen ‘Rue de la Pipe’. Iets bescheidener waren de festiviteiten in en om de feesttenten op onze eigen Sint-Janssingel, aan de oever van De Dommel, met volledig zicht op de oorlogsuitspattingen aan de overzijde.

Mijn zussen waren dagen met verkleedpartijen in de weer om hun bijdragen aan de voorstelling ‘Ik stond laatst voor een poppenkraam’ in te studeren. Veel weet ik zelf niet meer van dit tollende circus, wel dat er constant een positieve koorts in en om het huis hing, alsof de nieuwe tijd nu echt aangestoken was met de tekst: Ik stond laatst voor een poppenkraam o, o, o. / Daar zag ik mooie poppen staan zo, zo, zo. / De poppenkoopman ging op reis. / De poppen raakten van de wijs. / Ze deden allemaal zo. / Ze deden allemaal zo. / Ze deden allemaal zo. – Hoe eenvoudig een change gestalte kan krijgen!

frater
Met frater François voor de schoolpoort

En ook voor mij ging na de grote vakantie de poort naar de wijde wereld open. Op maandag 2 september 1946 betrad ik voor het eerst de Sint-Aloysiusschool aan de Kempenlandstaat in Den Bosch. Deze belangwekkende overstap was ingeluid door een zo mogelijk nog onuitwisbaarder gebeurtenis: achterop de fiets bij onze vaders reden mijn overbuurjongen Jac en ik de brug over, langs de Dommel en het kapotte station naar een onbekend schoolgebouw tussen de Leonarduskerk en het spoor, een godsgruwelijk eind weg.

En wat het allemaal extra bijzonder maakt: het is altijd bij dit ene fietstochtje gebleven, vanaf dag 2 moesten Jac en ik onze weg naar en van school zoeken, lopend, twee zesjarigen op weg naar hun nieuwe bestemming, een nieuwe tijd, en elke dag weer over die brug, en elke dag weer terug over die brug naar huis. Geen van mijn broers was ooit naar deze jongensschool gegaan, zíj waren van de Kanaalschool, wíj waren de naoorlogse nieuwlichters, kinderen van De Toekomst. En wij begonnen klas 1 in de septemberzon bij frater Casimiro.

Van hem leerden wij alles, schrijven en lezen voornamelijk, tekenen, zingen, godsdienst en rekenen. Hij maakte schitterende bordtekeningen van een man die samen met zijn blaffende hondje in de stormwind achter zijn hoed aan rende, en ons zo het moeilijke begrip HERFST bijbracht.

We gingen met Leonard Roggeveen’s Daantje ‘op reis’, en wij gingen met Daantje ‘boodschappen doen’. Iets later deden we dat ook met Okki Pepernoot en zijn vriendjes, ook van Leonard Roggeveen. Ja, van Leonard Roggeveen heb ik misschien wel alles gelezen wat er maar te lezen was, hij was mijn eerste tree op de ladder van de literatuur.

In de weken voor Kerstmis daalde de temperatuur tot dik onder nul, 9 ijsdagen op rij waren het, waarvan 5 met ‘strenge’ vorst. De kolen waren op, en de kachel in de klas bleef uit. Daar zaten wij dan in de bankjes, met onze jassen en dassen en klompen aan, ik had het zo koud dat ik ervan moest huilen. Mijn  broertje J., die een dagje mee naar de grote school mocht om alvast een beetje te wennen, gaf geen krimp. Dat vond frater Casimiro wel heel stoer, ‘niet,  Balthasar?’ – Maar ik kreeg het er geen graad warmer van.

Mijn schoolprestaties waren van meet af aan goed, want vanaf klas 1 ‘behoort Balthasar tot de besten van de klas’. En dat is de hele lagere-schoolperiode zo gebleven, tot en met uitschieters in de trant van ‘Met dit rapport is B. de eerste van de derde klas. Gefeliciteerd. De school begint weer 3 september.’ – Mijn moeder, trots,  bewaarde ze allemaal, mijn schoolrapporten.

Met Page d’écriture (1946)
Met ‘Page d’écriture’ (1946)

“Maar daarbuiten vliegt de liervogel / voorbij
Groeide ik op als een heel braaf kind dat vooral op school z’n best deed, het mooiste schoolgedicht dat ik ken gaat over een allesbehalve brave hendrik, een kind dat liever dagdroomt dan sommen leert, een kind dat de meester welhaast tot wanhoop brengt met z’n gezang en z’n gedroom over vogels en muziek.
Het gedicht is van de Franse dichter Jacques Prévert (1900-1977), het heet Page d’écriture, werd geschreven in 1946 (!), en verscheen te Parijs in de bundel Paroles (1949). W. Hussem vertaalde het als Bladzijde schrift, bij Rouke Broersma heet het Schoonschrift.

Het gedicht is nogal lang, de volledige vertaling van Broersma is daarom hier te vinden. Hieronder citeer ik het laatste deel van de vertaling van W. Hussem, die me net iets beeldender en gevatter lijkt dan die van Broersma.

BLADZIJDE SCHRIFT
(slot)

En de liervogel speelt
het kind zingt
de meester schreeuwt:
speel jij nog lang zo voor hansworst!
Maar alle kinderen
luisteren naar de muziek
en de muren van de klas
brokkelen langzaam af.
En de ruiten worden weer zand
de inkt wordt weer water
de banken worden weer bomen
het krijt wordt weer rotskust
de penhouder weer vogel.

 

2 gedachten over “1946 – De grote wereld in”

  1. Altijd welkom, waarde Willem, die meelevende notities van jou.
    Herinneringen, ach, wat een onschatbare schat aan halfdoorzichtigheid. Hoe verder je teruggaat vanaf je vierde, hoe meer ruis van de omgeving er wel bij zal zitten. Maar herinneringen, dat zijn het. Zoals er wel meer meetelt van toen je nog niet kon tellen. Samengevat in een welsprekende notitie van Douwe Draaisma (zie vooral: ‘Waarom het leven sneller gaat als je ouder wordt’): ‘Oja-kennis is ook kennis.’
    En wat dat boek van Günter Grass betreft, dat heb ik jaren geleden wel degelijk gelezen. Is dus beslist mede inspiratie geweest voor ‘Mijn feuilleton’, net als veel andere ingrediënten. Maar een mooi compliment blijft het, Grass is een groot schrijver. Zie vooral: ‘De rokken van de ui’, een verbluffend eerlijk en openbarend autobiografisch werk – dat veel aanmatigend verkeerde kritieken kreeg. Enfin, over ‘goed’ en ‘fout’ een volgende keer.

    B.

  2. Telkens weer een genoegen, het lezen van jouw kroniekjes, Balthasar. Mijn complimenten! Ik vraag me nog steeds af hoever de herinneringen van een mens kunnen teruggaan. Tot ongeveer de leeftijd van drie, zoals je vaak hoort en leest, of misschien toch verder?
    Wat herken ik veel uit jouw herinneringen: Den Bosch als frontstad, neersuizende granaten, schuilen onder de trap van de benedenburen, het gebedje als er ’s avonds weer een V1 overkwam, het kapotgeschoten station, en nog zoveel meer. Ik herlees nu, parallel met jouw tijdlijn, “Mijn Eeuw” (“Mein Jahrhundert”) van Günter Grass. Dezelfde opzet per kalenderjaar en ook bij hem die combinatie van het persoonlijk beleefde en wat er gebeurde in de grote buitenwereld. Niet verlegen worden om deze vergelijking! Ga gewoon door, Balthasar, ga door in je eigen lichtvoetige toon!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *