1988 – EK’88: Oranje verslaat Roze

Sinds het westerse economische systeem de profs in de jaren zeventig overdreven dik ging betalen voor hun veldwerk ben ik alle belangstelling voor het voetbal en zijn beoefenaars kwijt geraakt.

Speelde de aardig beloonde midvoor T. het ene seizoen nog voor ‘mijn’ BVV, ‘n volgende competitie was hij dé man van Sparta. Binnen enkele jaren bleken de spelers voornamelijk ‘koopwaar’ te zijn, en waren alle voetbalclubs van hun personele identiteit ontdaan. Toen was het met mijn interesse voor ‘het spelletje’ ook gedaan. – Onnodig te zeggen dat ‘voetbal’ hier onbekommerd door elke andere professionele sport vervangen kan worden. Maar deze keer gaat het toevallig over voetbal.

Roze Zaterdag…
Het was voor mijn alderliefste en mij dan ook geen punt van aarzeling toen de datum voor de Roze Zaterdag 1988 uiteindelijk bleek samen te vallen met de finale van het Europees Kampioenschap Voetbal in München: zaterdag 25 juni. Wij gingen ’s morgens nog welgemoed met de trein op pad naar Delft om onze solidariteit met het homo/lesbische smaldeel van de Nederlandse bevolking, en dus met enkele van onze familieleden, vrienden en kennissen, tot uitdrukking te brengen. Een keer per jaar een uitbundig roze feestje, en een leuk uitje ergens in Nederland: ‘móet kunnen’, om met de populaire televisieprofessor Herman Pleij te spreken.

De loper uit voor Roze Zaterdag!
De loper uit voor Roze Zaterdag!

Het eerste deel van De Roze Zaterdag verliep ontspannen, gezellig en ook wel ’n beetje hilarisch – met dank aan het heerlijke zomerweer en de massale opkomst van jonge toeters en bellen die een dergelijke demonstratie nou eenmaal z’n vrolijke karakter geven. Zeker tot ’n uur of één, twee liep het allemaal gesmeerd. Maar toen doken op de grote markt van Delft de meeste demonstranten de talloze kroegen en eettentjes in om de inwendige mens te laven en ook ’n roze hortje uit te rusten.

De etablissementen hadden duidelijk op deze invasie gerekend, want ze hadden alles wat de naam tv-toestel ook maar enigszins vermocht te dragen in de publieke ruimtes opgesteld. Want Nederland, wat zeg ik: Oranje!, ‘zit in de finale’, en ‘gaat het karwei deze middag afmaken ook’. De omroepen hadden alle beeld- en geluidsregisters opengetrokken, André Hazes zong de hele dag en overal oerendhard ‘Nederland, oh Nederland, jij-hij bent de kampioen’, er bestond kortom even helemaal niks anders dan De Finale, Holland, Oranje en De Kampioen.

… verkleurt naar Oranje Zaterdag
Met geen stok waren de roze-zaterdaggers meer naar buiten te krijgen om de geplande toespraakjes en uitspraakjes aan te horen, en het roze feest verder te vieren. Iedereen bleef zitten waar ie zat of hokte staand en hangend rond ‘zijn’ tv-toestel, tosti en biertje in de roze hand. De Russen kwamen op, Oranje kwam op, de spanning spatte vanaf minuut één van de buis. De Oranje Match begon met gejuich en getoeter, de Roze Zaterdag gaf intussen in stilte en in schoonheid de geest.

Omdat wij van het begin af aan weinig moeite hadden gedaan om ‘ergens’ binnen te komen, bleven wij met nog een handvol diehards enigszins verweesd op het grote Delftse Marktplein achter. Daar leefde de rust en de saaiheid van een gemiddelde zondagmiddag op nogal gespannen voet met de continue geluidswave van oh’s en ah’s uit de openstaande kroegdeuren. In de 33e minuut was het raak: een orkaan van zoete kelen slurfde over het marktplein: 1-0 voor Nederland. Bij de rust was het nog steeds 1-0. En vonden wij het welletjes. – Op naar de trein en naar huis dan maar.

Denkend aan HOLLAND...
Denkend aan HOLLAND, klap, klap, klap

We hadden de trein zo’n beetje voor onszelf alleen. De enige medepassagier die wij konden ontdekken lag met zijn oor tegen een heel klein portable radiootje gekromd, en verdomd, we zaten nog maar net of hij sprong op met de indianenkreet ‘Tweenul!’ Het was de 55e minuut, nog 20 te gaan. De jongen kroop weer in z’n gekromde ligstand, en wij zetten ons voor het raam om de gebeurtenissen ‘buiten’ nauwlettend in het oog te houden: maar Nederland was een dodenrijk, alle leven was geweken, oranje vlaggen hielden de adem in; alleen een verdwaalde leeuw liep met z’n neus in de wind een paar schapenwolkjes binnen.

Golf van verbroedering
Ik schrok wakker, 5 voor half 5! Ook zonder nadere mededeling van de HC ‘naderden wij station ’s-Hertogenbosch’, en daarmee de orkaan van uitbundigheid. IEDEREEN was op straat, in het oranje, schreeuwde en joelde, toeterde, hing om elkaars nekken, zoende elke eerste de beste, was bijkans buiten zinnen, want ‘Oranje is kampioen, WIJ zijn Kampioen!’

In ons huis was het aangenaam stil, we borgen onze roze strikjes op en zetten de tv aan voor het halfzes-journaal. En we zagen voetbal, alleen maar voetbal, het voetbal van München, het voetbal van Delft en het voetbal van de trein. En slierten feestvreugde natuurlijk, een oranjepolonaise, de wederopstanding van gans een volk, de totale verbroedering. – En over de Roze Zaterdag in Delft niets. Natuurlijk niet, een verbroederd volk heeft geen last van verdrukte minderheden. Dat komt morgen wel weer, of volgende week.

De volgende dag, zondag 26 juni 1988 om half twaalf, fietsten mijn alderliefste en ik door Het Bossche Broek richting Gestel. Mooi weer, aangename route, lekker peddelen door de natuur. In de nabije verte roezemoesde de A2 in al zijn verhoogde wijdsheid. Want het zag er zwart van het volk op de verboden vluchtstroken. Mensen hadden de plaats ingenomen van de auto’s die nu even buitengesloten waren.
– Wat is hier aan de hand?
– Zo meteen komt de spelersbus voorbij, Gullit, Van Basten, het hele Nederlands Elftal, Michiels, de Generaal!
– Onderweg naar Amsterdam. Maar ze hebben vertraging. Er staat heel veel volk onderweg! Wat ‘n feest he!

Even weer terug in de kast.
Even weer terug in de kast.

Het kostte inderdaad geen enkele moeite om alles te weten te komen, het volk was nog steeds verbroederd, Oranje nog steeds de talk of the town, de roze hoedjes gingen voor even weer terug in de kast. – En van de vernietigende massadans op de grachtenbootjes hadden we toen nog geen weet.

‘Vader, weet je nog hoe het even doodstil werd?’
Het kan niet anders of zo’n Gebeurtenis van Nationaal Belang dient besloten te worden met een gedicht over voetbal. Vroeger had je Jan de Cler die zo’n wedstrijd op de radio praktisch simultaan van gezongen commentaar voorzag met z’n ‘Hup Holland hup, laat de leeuw niet in z’n hempie staan…’ Maar Jan de Cler is al tijden dood, de radio heeft aan belang ingeboet, en deze keer stond de leeuw nou eens niet in z’n hempie. Toch blijft enige ironie en afstandelijkheid op z’n plaats, het is tenslotte ‘maar voetbal’.
Daarom leek me onderstaand gedicht van Rutger Kopland wel passend, over de grootste voetbalheld uit mijn jeugd, die koppige Fries met z’n starre kuif en z’n onnavolgbare goaltjes. Hij was groter dan Cruijff, jazeker, maar hij kreeg nog niet betaald he!

Het gedicht ‘Abe’ komt uit Kopland’s bundel Tot het ons loslaat.  ‘Achilles’ was een voetbalclub uit Groningen, en ja, het was een koppige strijd tussen de Friezen en de Groningers, toen, halverwege de jaren vijftig. Abe was de Fries, en Kopland de jonge  dichter uit Groningen.

Abe!
Us Abe!

ABE  LENSTRA

We stonden bij Achilles, het regende en woei,
in een geur van sigaren, nat gras en natte mannen,

het gromde en stampvoette om ons heen,
voetbal was oorlog, toen al.

Vader, weet je nog hoe het even doodstil werd,
de bal kwam, hij kwam uit de grauwe lucht
en woei voor het doel,

niemand had gezien dat hij daar stond.

Weet je nog hoe hij toen even met zijn hoofd knikte,
bijna ootmoedig, bijna verlegen, bijna verontschuldigend.

We hadden verloren voor we het wisten. Abe

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *