1992 – Geluk verbergt zich in onze herinneringen

Om een doodenkele keer onbelemmerd complimenteus te kunnen zijn over een ander, over iemand die natuurlijk ook wel mindere punten heeft maar dat je die dan gerust ongenoemd kunt laten – dat is ook wel ‘s fijn. De dood biedt zo’n gelegenheid want ‘van de doden niets dan goeds’ immers, maar dan zonder de negatieve connotatie die toch ook aan die uitdrukking kleeft.

Schoonvader G.
Voor schoonvader G.

In 1992 sterft mijn schoonvader G., de man van tachtig, uitgeteld maar dankbaar en tevreden. Dit Balthasarsblog-jaar kan ik niet beter invullen dan met een lichtvoetig In Memoriam voor de man die vijftig jaar de bijzondere vader van mijn alderliefste was. Wij hebben veel goeds aan hem te danken. Ik teken hem zoals ik me hem herinner – in een parade van tien brokken en flarden, kiest u maar.

Een
Alle jaren vanaf 1962.

Een gesprek, uitgesproken woorden/zinnen/meningen, heb ik met mijn schoonvader in al die dertig jaren van 1962 tot 1992 niet echt gevoerd. Dat kon niet, dat hoefde niet. Hij was geen man van de taal, mijn schoonvader voor wie ik nooit een passende aanspreektitel gevonden heb, hij was meer een losse-woordenman. Jaja, nee, toemaar, vat maar, en? Meestal volstond zelfs een korte knik, vragende wenkbrauw, hangende lip, pret- of priem-oogjes al naargelang, want hij was toch vooral ook een mimer, gebruiker van een lichaamstaal die gemakkelijk te lezen was. En alles altijd in volbloed Schijndels, van de grote oren tot de vooruitstekende onderlip.

Twee
Begin 1962.

Onze eerste ontmoeting voldeed al meteen ruimschoots aan dit beeld. Hij kwam tegen halfzes thuis, nog in schildersplunje en bruinroodgeruite das, het blonde haar vol branie alle kanten op, een jongensachtige man van vijftig. Op de vraag van mijn toen reeds alderliefste hoe hij haar behangwerk gevonden had, sprak ie met zachte maar besliste stem: ‘Mmm.’ En een poosje later met grote ogen: ‘Maar d’r zijn ook opmerkingen.’ – Ik moet verrast gekeken hebben, want meteen daarna, met de blik op mij: ‘Balthasar? Vader van ons Mai.’ (Mai, de huiselijke naamsvariant voor mijn alderliefste waar ik nog niet bekend mee was). Ik gaf hem een hand, maar dat was niet nodig, het was al goed zo.

Drie
December 1964.

Van een ‘trouwerij buiten de deur’, zoals wij voorstelden, kon natuurlijk geen sprake zijn. Het zou en het moest vanuit ‘Mai’s’ ouderlijk huis, wat we wel dachten! Dat hij het feest voor zijn dochter niet kon betalen? Oempf! Moderne flauwekul. Afgeserveerd.
Het huis werd uitgeruimd, een feestboek geschreven, voordrachten ingestudeerd. En het voornaamste: tante J. zou koken! Met een klein beetje hulp hier en daar.  Kortom, het was een doorslaand succes waar we nog altijd dankbaar voor zijn. Petje af voor al die intimi die er een degelijke ouderwets bruiloft van wisten te maken. Dankzij een onverzettelijke (schoon)-vader die zijn verantwoordelijkheid nam.

Vier
December 1966.

Meteen toen ie hoorde dat onze zoon M. geboren was, startte hij het geleende VW-busje en haastte zich met mijn schoonmoeder naar Den Bosch. Tijdens één moment van onoplettendheid raakte hij het spoor bijster, en belandde samen met zijn vrouw in hetzelfde ziekenhuis als waar ons onaffe zoontje in de couveuse lag. Toen ik daar aankwam, waren de bedden van ‘opa en oma’ naar de couveusezaal gereden om hun kleinzoon dan maar via de glaswand te begroeten. Oma had een pijnlijk verscheefde nek, maar opa lag daar met een reuzensmile van oor tot oor, hij was z’n eigen ongeluk al volkomen vergeten. – Dagenlang heb ik daar ‘die drie’ als vliegen in één klap bezocht totdat mijn schoonvader niet langer in het ziekenhuis ‘bij oma’s in bed’ hoefde te liggen, zoals hij het zelf met olijke trots formuleerde.

Vijf
Praktisch alle jaren.

Kerstmis was zijn lievelingsfeest, vooral omdat ie dan zijn kookkunsten weer eens kon vertonen. Hij was er nog altijd trots op dat ie kok geweest was toen ie ‘voor z’n nummer’ in militaire dienst zat. Daar had ie ook haantjes leren bakken, heel goed haantjes leren bakken, zoals wij elk jaar weer met appetijt konden constateren. Toen wij een tijdje stevig vegetarisch waren, was opa’s Kerstmis zo’n beetje de zwaarste beproeving van het jaar. Dus al na enkele jaren waren we op bepaalde dagen alweer een stuk soepeler in de leer, en smaakten de haantjes als vanouds. Mijn schoonvader heeft dat allemaal nooit goed begrepen, maar er ook nooit moeilijk over gedaan. Waarschijnlijk was hij er diep van overtuigd dat zijn haantjes het pleit uiteindelijk wel zouden winnen. En zo geschiedde. – Mijn schoonvader was niet alleen een man zonder woorden, hij was ook een man zonder haast en rotsvast van geloof.

Zes
Jaren zeventig.

Toen wij in de jaren zeventig in ons nieuwe huis op de Kruiskamp woonden, kwamen mijn schoonouders op zondagmiddag nogal ’s ‘even langs’ als er geen voetbal was. En altijd keek ie dan rusteloos rond of er geen verfklusje te wachten lag, trok een oude broek aan, vroeg om ‘n kwast en ‘de boterzachte verf’, en deed dan ‘even’ de muren van de studeerkamer in lindegroen, of lakte de dressoirkast af in wit en bordeauxrood. En tufte dan weer aan, om op tijd voor het eten thuis te zijn.
Van hem heb ik leren ‘wapperen’ (‘dat schuren hoeft allemaal niet zo lang te duren’), hoe je ook goed met hele kleine kwastjes kunt werken, en dat een vaste hand een heleboel afplakwerk overbodig maakt. Aanpakken, beginnen, doorgaan, dit nog even afmaken, en niet overmatig secuur doorploeteren, van die dingen. Maar wel elk jaar verven, behangen en schoonmaken. Bij wie dat maar wilde.

Zeven
Jaren zeventig en tachtig.

Het grootste plezier beleefde mijn schoonvader – iedereen zei ’G.’ tegen hem, maar ik heb daar nooit aan kunnen wennen, het was me te amicaal – aan alle keren dat ie buitenshuis een feestje kon geven. Dan ging ie ‘afspreken’ in Café De K., waarbij het altijd meer om de prijs dan om de datum ging. En iedereen moest altijd maar komen, hoe meer zielen, hoe meer vreugd – hij heeft die uitdrukking dan misschien niet uitgevonden, hij heeft hem wel in praktijk gebracht.
Hij begon met een schoon gestoomd pak. Maar soep bleek altijd lastig, en vanaf het tweede borreltje gingen die allemaal zo’n beetje hun eigen gang. Het kon schoonvader allemaal niet deren, want het was tijd voor z’n lievelingslied, stropdas los en de hemdslip uit z’n broek: ‘Daar bij die molen, die mooie molen!’ – Ik wist niet dat ie het in zich had, maar jawel, de volledige tekst, van a tot z, zonder één hapering, en uit volle borst: ‘Daar wil ik wonen als zij eens wordt mijn vrouw.’ – Iedereen gelukkig, tot en met ‘Kleine Greetje uit de polder’, en het pak kon weer naar de stomerij.

Acht
Jaren tachtig.

Schoonvaders avontuurlijke aanleg is in de familie legendarisch. Zo was mijn alderliefste al van jongsafaan gecharmeerd van alle omweggetjes en onbekende paden die ‘ons pap’ infietste, uitprobeerde of in vastliep. Toen hij en mijn schoonmoeder eindelijk naar Australië vlogen om de wél geëmigreerde familieleden langdurig te bezoeken, was dat zo’n beetje de reis van zijn leven. En o wonder, dat wilde hij ons maar al te graag laten weten. Hij – hij! – schreef uitvoerige brieven aan al z’n kinderen, bij elkaar een dik pak gedetailleerde verslagen van de kleinste wederwaardigheden tijdens hun wereldvisite.
Een keer schreef ik terug op hun vraag hoe het ons in die tussentijd ‘daar in Nederland’ verging. Maar ik kon de juiste toon niet vinden om bij zijn onbedaarlijk naïeve familie-inkijkjes aan te haken. Zíjn brieven zijn gelukkig bewaard gebleven, de mijne godzijdank niet.
Toen wij met een hele bus goed publiek o.l.v. heeroom S. (die steeds maar wilde bidden voor een behouden reis over de wereldzeeën) de wereldreizigers van Schiphol gingen halen, had schoonvader nog een laatste verrassing in petto: hij stapte in zomertenue met korte broek uit het vliegtuig om te demonstreren hoe bruin hij wel niet geworden was. En trots!

Negen
Late jaren tachtig.

In latere jaren begon mijn schoonvader samen met mijn schoonmoeder nogal vrijgevig te worden. Sinterklaas, Kerstmis of een andere gedenkdag, weken tevoren was ie er al mee bezig. Papiergeld in verlopen giro-enveloppen, de namen in zorgvuldig schoongeschreven hanenpoten erop. Op de uitdeelavond straalde het hemelse geluk van hem af op alle verzamelde gezinsleden en hun aanhang. Het gerucht en de mare waren hem dan wel vooruitgesneld, wij speelden het spel maar wat graag mee, allemaal.
Op het laatst verkocht ie zijn huis aan de buurman onder de conditie dat ze er voorlopig in mochten blijven wonen. En verdeelde een flink deel van de opbrengst contant onder ons allemaal. Zulk groot cadeaugeld hadden wij nog nooit bij elkaar gezien, en er vloeide menig traantje van emotie en om de voorziene mogelijkheden. Ik herinner me dat we op de fiets terug naar Den Bosch twee keer afgestapt zijn om te controleren of het geld er nog wel was. En ja hoor, het was er nog.

Tien
Tien – 1992.

Zijn finale ziekbed in 1992 stond in de huiskamer, thuis wou ie sterven, en liefst met iedereen om hem heen. Of ‘ons Marie’ niet met hem mee zou willen, samen gaan hemelen, zou dat niet mooi zijn? Maar schoonmoeder had er geen oren naar, voorlopig nog niet, en voor schoonvader was de pil toch wat bitter. Maar uiteindelijk was ie tevreden, over zijn leven, dat ie de tachtig gehaald had, en dat iedereen bij ‘de bediening’ aanwezig was. – ‘Het is goed zo,’ leek ie te zeggen. ‘Houdoe allemaal. En dankewel he.’

'Wat is geluk', uit de Regenboog-bundel 'Geluk is gevaarlijk'
‘Wat is geluk’, uit de Regenboog-bundel ‘Geluk is gevaarlijk’.

Wat bedoel je? Ik bedoel dit
In het gedicht Wat is geluk uit de Regenboog-pocket ‘Geluk is gevaarlijk’ onderzoekt Rutger Kopland (1934-2012) hoe de herinnering aan geluk tevens het geluk van de herinnering is. Want ja hoor, geluk bestaat. Maar je hebt er wel je herinnering voor nodig. – Wat een geluk dat ik mijn schoonvader heb gekend, want ik herinner me hem. En wat hebben we veel gelukkige dingen met hem meegemaakt, tenminste, die gelukkige dingen die ik me herinner. Zoals de dingen die ik hierboven opgeschreven heb. Die roepen niet alleen herinneringen op, ze vertellen me ook van het geluk dat we daaraan beleefd hebben.
Ach, eigenlijk probeer ik hier alleen maar het gedicht van Rutger Kopland toe te passen op mijn eigen herinneringen aan mijn schoonvader en op het geluksgevoel dat daardoor komt bovendrijven. – Maar misschien kunt u beter het gedicht van Kopland zelf even lezen, een hersenkraker (zonder vraagteken!) waar je je gelukkig van gaat voelen.

WAT IS GELUK

Omdat het geluk een herinnering is
bestaat het geluk omdat tevens
het omgekeerde het geval is,

ik bedoel dit: omdat het geluk ons
herinnert aan het geluk achtervolgt het
ons en daarom ontvluchten wij het

en omgekeerd, ik bedoel dit: dat wij
het geluk zoeken omdat het zich
verbergt in onze herinnering en

omgekeerd, ik bedoel dit: het geluk
moet ergens en ooit zijn omdat wij dit
ons herinneren en dit ons herinnert.

7 gedachten over “1992 – Geluk verbergt zich in onze herinneringen”

  1. kippenvel en tranen. Niemand had dit zo kunnen verwoorden dan jij. Laat ons nog maar eens een keertje kuieren op de Keur.
    Bedankt!! Liefs, Francien

  2. Ik heb je schoonvader niet gekend maar wat je over hem schrijft voelt heel erg warm. Fijn dat je zo’n mooie herinneringen over hem hebt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *