Intermezzo 1 – De jaren veertig

Bij het beschrijven van de eerste tien Balthasar-jaren heb ik uiteraard geen seconde volledigheid nagestreefd. Ik koos heel luxe de krenten uit de pap. En zelfs dat was vaak nog lastig, zoveel krenten als er zijn: over de beschreven jaren veertig liggen er nu zeker nog zo’n tien op de rand van mijn blogbord. – Ondanks dat de jaren vijftig al aan de poort staan te rammelen, maak ik nu even een tussenstop om nog een paar van die rand-krenten voor de eeuwige rust te behoeden.

Ach die goeie ouwe Sint Pieter
Ach die goeie ouwe Sint Pieter

Dagelijkse kerkgang 1946/49 – Elke morgen stipt om zeven uur liet Willem de Smid zijn hamer met een forse roffel op het aambeeld neerkomen. Dan moest ik haasje-rep-je m’n bed uit om om half acht (en nuchter!) in de kerk te kunnen zitten. Onder streng toezicht van nonnen van de Mariaschool en fraters van de Kanaalschool zaten wij daar in gescheiden jongens- en meisjesblokken de dagelijkse heilige mis uit te zitten (te ‘vieren’). En owee als je even afgeleid was: hardhandige duwen en tikken kon je krijgen, of – o, rampspoed – een aantekening. In het uiterste geval kwam de pastoor je ouders inlichten en vermanen.

Eenmaal op school, begon de frater te inventariseren wie er die ochtend allemaal naar de mis geweest waren. De beloning bij tien keer achter elkaar bestond uit een heiligenprentje; na vijfentwintig keer een groter formaat prent.

Straf was er ook, collectieve straf: een extra moeilijk dictee of proefwerkje als er van de 35 leerlingen maar 20 naar de mis geweest waren. Plus dat de frater dan zo’n hele dag de pest in had, en ons dat goed liet blijken ook. Het voorlezen aan het eind van de dag was dan verkeken, en een speelkwartier duurde slechts tien minuten.

Een andere optie dan katholieke braafheid was er eigenlijk niet, bij ons in de jaren veertig. – In dat licht bezien komt een speelgoedaltaartje met bijbehorende priesterkleren (of nonnenkleren, zoals buurmeisje Annie had) natuurlijk niet uit de lucht vallen.

Thuiswerk 1945/49 – De huishouding verliep bij ons, net als bij iedereen, volgens vaste patronen. Maandag wasdag, dinsdag strijkdag, vrijdag boendag, enfin, u kent het repertoire wel. Het ergste waren de zondagavonden, als de kookwas alvast in grote teilen in de week gezet werd, en zo zijn zwarte schaduw naar de maandag uit-tentakelde. Ik ken familieleden die op de zondagavond niet te harden waren van chagrijn voor de komende werk- en schoolweek. Elke week weer.

Snijbonen, kilo's en kilo's
Snijbonen, kilo’s en kilo’s

Iedereen moest van jongsafaan ook meehelpen in de huishouding: de lakens mee door de wringer draaien, elke middag 7 kilo aardappelen schillen (‘en dun! zeg ik toch’, ik hoor het nog elke keer als ik een appeltje schil), snijbonen door het machientje draaien voor de inmaak, op maandag alle zondagse schoenen van iedereen poetsen, bedden opmaken, elke dag boodschappen doen (waarbij ieder onsje apart afgewogen, verpakt en genoteerd moest worden) – ik hoef u niks te vertellen,  werk waar geen einde aan was. En dan moest ik op zaterdagmiddag ook nog meehelpen om de werkplaats en de winkel op te ruimen, aanmaakhoutjes hakken, fietsen schoonmaken, en in de teil.

Op de tussendoordagen zat mijn moeder achter de naaimachine alle kleding zelf te maken, hield ze de distributiebonnen en de huishoudknip scherp in de gaten, en bepaalde ze streng maar rechtvaardig wie er aan de beurt was om de gaten in zijn schoenen te laten repareren.

Als ik dat allemaal zo nog ’s overzie, dan lijkt het logisch dat er  weinig ruimte was om te spelen. En toch heb ik dat veel gedaan. Maar dan vooral buiten, op straat, of bij vriendjes thuis. Ik heb er hele heldere herinneringen aan: Kuifjes-boeken lezen bij de jongens  Sars, handtekeningen oefenen in het schoolbankje bij Ad van der Heijden, één nachtje logeren bij Theo de Mug boven het café. – Ach, ze zullen allemaal nog wel eens voorbijkomen.

Periodieke vriendjes 1949 – Onze buurman ter linkerzijde in de Korenbrugstraat, meneer Schüte, was in onze ogen steenrijk. Samen met zijn huishoudster, juffrouw Til, bewoonde hij een herenhuis waar het onze twee keer in kon. In dat paleisje hield hij kantoor ten behoeve van zijn groothandel in manufacturen. Ertegenover had hij ook nog een pakhuis, waar tevens zijn luxe wagen in geparkeerd stond.

Meneer Schüte was vrijgezel, hoewel het heel raar is om dat begrip met hem in verband te brengen. Hij stond bekend als ‘een goede Duitser’, en ook overigens was hij iemand waar ons ‘milieu’ naar opkeek. Hij had zo zijn eigen ‘kringen’, waar wij in elk geval niet toe behoorden. Daar was één uitzondering op.

Dat was als zijn petekinderen Matthieu en Bennie uit Gennep bij hem op vakantie kwamen. Dan had meneer Schüte mijn broertje J. en mij nodig als speelkameraadjes voor M. en B. Wij gingen een keer extra in de teil, en kregen onze beste kleren aan.

In die dagen werden J. en ik min of meer ingelijfd in het huis dat naar rijkdom en overvloed rook. Wij aten er mee van onbekende gerechten uit de superoven, raakten vertrouwd met tafellaken en servet, en mochten niet met onze ellebogen op tafel leunen.

Wel mochten wij nu ineens mee met tochtjes in de luxewagen, onvergetelijke ervaringen voor een timmermanszoontje van negen jaar. Soms ook gingen wij mee uit wandelen met juffrouw Til en haar taxhond Loeki, lekker het Dommel-talud afrollen en wilde bloemen plukken voor bij het Mariabeeld.

Een echte Hohner!
Een echte Hohner!

Maar er bleef altijd één groot verschil met de petekinderen: die kregen van meneer Schüte elke keer cadeautjes, een echte Hohner mondharmonica bijvoorbeeld, of vierkleurenvulpotloden. Kostbaarheden waar J. en ik alleen maar naar konden fluiten. Maar fluiten mocht bij meneer Schüte niet. – Ongelooflijk, hoe beschaafd je van één zo’n man kon worden.

Intussen in de Buitenwereld…
1943/45Op een boogscheut afstand van mijn onnozelste jaren in en rond de Korenbrugstraat functioneerde ‘Kamp Vught’ als werk-, doorgangs- en concentratiekamp voor de Duitsers. Meer dan 30.000 mensen brachten daar een ellendige tijd door, 12.000 joden werden er afgevoerd naar Westerbork, Sobibor en Auschwitz.
Eén voorbeeld van hoe het in dat kamp toeging staat op een video van Gerard van Maasakkers, in 2006 opgenomen tijdens de dodenherdenking op de fusilladeplaats aldaar. Dat YouTube-filmpje heeft me al menigmaal kippenvel bezorgd. – Beter laat geweten dan niet geweten.

1945/1949Na de warme brak alras een koude oorlog uit in Europa, met een IJzeren Gordijn, een Westblok en een Oostblok, met een Russische Blokkade van Berlijn en een Geallieerde Luchtbrug als tegenzet. Een Bloedspannende Tijd met allemaal Hoofdletters die later wel vergeleken is met de Cuba-crisis uit 1964. En die menig spannend boek opgeleverd heeft, zoals John le Carré’s Smiley’s People (1979).

 

2 gedachten over “Intermezzo 1 – De jaren veertig”

  1. Hé hé, eindelijk heb ik op mijn laptopke gevonden hoe ik op de side kon komen en in een keer de jaren veertig gelezen. Hoewel niet bewust meegemaakt, komen nu de herinneringen aan al die verhalen wel naar boven. Geweldig om te lezen en benieuwd naar meer. Dank u zeer. Groeten van Mary

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *